Leergulzig

Hoop cultiveren, vernedering vermijden, angst overwinnen, vertrouwen scheppen en optimisme uitstralen. Over wat me beroert en wat me ontroert.


3 reacties

Nieuwjaarke zoete

Nieuwjaarsbrieven, nieuwjaarspeeches, nieuwjaarswensen, nieuwjaarke zoete….

Inspiratie zoeken en vinden. Dit jaar vond ik het in het boek Het prachtige risico van onderwijs van Gert Biesta. Een niet gemakkelijk leesbaar boek maar één met duidelijke inzichten over wat onderwijs is of toch zou moeten zijn.

Ik vond ook een zeer duidelijke uiteenzetting over de inzichten van Gert Biesta in de blog ‘Meer aandacht voor socialisering en persoonsvorming – hoe ziet dat er uit?’ |  geschreven door Hester IJsseling ( www.hesterij.blogspot.nl ) gepost op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs van 18 december 2015 door Dick van der Wateren. Hester bood me de woorden waar ik naar zocht om jullie voor jullie werk in onderwijs te bedanken bij de aanvang van dit nieuwe jaar 2016.

Ik ben zo vrij enkele passages hieruit te citeren omdat ik ze zelf niet beter kan gezegd krijgen.

Laten we wat dieper ingaan op het lesgeven. Kwalificatie heeft te maken met het wat: wat willen we kinderen leren. We willen ze lesgeven in lezen en schrijven, spellen en rekenen. Er zijn verschillende manieren waarop je dat kunt doen. In de manier waarop we lesgeven zit altijd impliciet een mensbeeld verborgen en een idee over wat goed is voor kinderen.

Om mee te kunnen doen in de wereld moet je kunnen lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis, en die leren kinderen op de basisschool. Omdat ze die dingen in groepsverband leren, leren kinderen op school ook met elkaar omgaan in groepen. Daar merken ze dat ze verschillen van andere kinderen. Zo beginnen kinderen op school te ontdekken wie ze zijn, hoe ze verschillen van anderen en hoe ze zich verhouden tot anderen.Je zou die verschillende met elkaar verweven facetten van het onderwijs kunnen onderscheiden als drie domeinen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Deze drieslag van Gert Biesta biedt ons een vocabulaire waarmee we verdieping kunnen brengen in het gesprek over onderwijs. Maar als we concreet proberen te maken wat die termen betekenen, blijkt dat nog niet zo eenvoudig.

Velen zeggen dat er meer gedaan moet worden aan socialisatie en persoonsvorming. Het probleem is niet zozeer dat er meer aan gedaan moet worden, maar dat we ons bewuster zouden moeten verhouden tot wat daar – altijd al – gebeurt. We hebben er te weinig oog voor, en te weinig taal om erover te spreken en te denken.Het onderwijs heeft op die drie domeinen namelijk altijd invloed. Ook als je jezelf als leraar geen expliciete doelen stelt buiten het domein van de kwalificatie, heeft je onderwijs effect op het vlak van socialisering en persoonsvorming. Als we zorg willen dragen voor een goede balans tussen de drie domeinen, dan is het van belang te leren zien wat er gebeurt in de relatie tussen kinderen en leraren op school. Hoe verhouden ze zich op school tot zichzelf en tot de ander? Welke rol speelt ons pedagogisch handelen daarin? En wat streven we daarin na?

Lezen, schrijven en rekenen – in de eerste plaats zijn dat kwalificaties. Dingen die je moet kunnen. Het zijn ook de vakken die op school regelmatig getoetst worden, met gestandaardiseerde toetsinstrumenten. De meetbare aspecten van taal en rekenen worden zichtbaar gemaakt met harde cijfers. Met de juiste scores kun je je kwalificeren voor deelname aan de maatschappij. Om met elkaar te spreken over kwalificatie is kortom een uitgebreid vocabulaire en instrumentarium voorhanden. Voor socialisering en persoonsvorming is dat niet het geval.

In de manier waarop we over onderwijs spreken, hoe we lesgeven, hoe we toetsen en hoe we onderzoek doen, vellen we bedoeld of onbedoeld een oordeel over datgene waar we waarde aan hechten. Met wat we daarmee voorleven, geven we richting aan de manier waarop en de ruimte waarin kinderen op school zich ontwikkelen. Op dit moment voeren cijfers de boventoon in het spreken over onderwijs. De vraag is, of dat wenselijk is.

Het is belangrijk dat leraren die verborgen opvattingen expliciet maken. Daartoe hebben we taal nodig die waarneembaar en denkbaar en bespreekbaar maakt wat we doen en wat er gebeurt, taal om te benoemen wat we nastreven, en taal waarmee we kunnen onderzoeken of wat we doen in overeenstemming is met wat we nastreven. Voor een goede balans tussen de drie domeinen moeten we daarom niet alleen naar het wat kijken, maar ook naar het hoe en het waartoe, en daar woorden voor vinden.

Wat je doet – rekenen, spellen, lezen, lopen op de trap, buitenspelen, omgaan met materiaal – is nooit een kwestie van alléén kwalificatie, of alléén socialisatie of alléén persoonsvorming, maar heeft steeds die verschillende met elkaar verweven aspecten. Elke beslissing die je in de klas neemt – elke keuze die je maakt in de manier waarop je kinderen aanspreekt, lessen vormgeeft, stof behandelt – houdt een oordeel in. Een oordeel over wat in het hier en nu nodig is. En elk oordeel verraadt iets over de waarden en opvattingen die aan al die kleine beslissingen die je neemt ten grondslag liggen. Het verraadt wat jij goed en belangrijk vindt als leraar. Ook als je je daarvan helemaal nog niet bewust bent.Om een goede leraar te zijn, die in haar onderwijs het evenwicht bewaart tussen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming, is het belangrijk om dat te onderzoeken en onder woorden te brengen, en erover in gesprek te gaan met je collega’s, met de kinderen, met ouders. Te onderzoeken wat het dan is, wat jij belangrijk vindt en wat je met elkaar als schoolteam belangrijk vindt. Of je daar, zodra je je ervan bewust bent, ook volmondig voor kiest en voor staat. En welke consequenties dat heeft voor de vormgeving van je onderwijs, voor de manier waarop je les geeft en hoe je met de kinderen (en collega’s en ouders) omgaat.

Wat voor mensen zou je willen dat de kinderen die je onder je hoede hebt uiteindelijk worden? Welke kwaliteiten en attitudes zouden ze hebben als wat je voor ogen hebt, lukt? Vind je het belangrijk dat kinderen gehoorzamen aan het gezag van ouderen? Vind je het belangrijk dat kinderen discipline ontwikkelen, en leren hun eigen wil in toom te houden? Of staat voor jou mondigheid voorop, en zelfverantwoordelijkheid, zelfvertrouwen, initiatief, nieuwsgierigheid? Hecht je in de eerste plaats waarde aan betrokkenheid bij anderen, aandacht voor de dingen, zorg voor de omgeving, vertrouwen? Of staan identiteit, zelfontplooiing en talentontwikkeling voor jou bovenaan? Wat versta jij onder volwassenheid? En dan: Hoe verhouden zich jouw waarden tot de waarden van je collega’s? Kun je het als team samen eens worden? En met de ouders? De kinderen?

Een belangrijk aspect van persoonsvorming is, steeds opnieuw de vraag te stellen of de veronderstelde common sense wel zo common is. Wie sluiten we daarmee buiten? Daarbij is het de vraag of wat gebruikelijk is, ook wenselijk is. Persoonsvorming heeft te maken met de vrijheid en de verantwoordelijkheid om te kiezen: volg je het protocol, de kudde, het gebaande pad, of wijk je ervan af? Verantwoordelijkheid nemen betekent: nooit gedachteloos zomaar wat doen omdat je het altijd al zo deed of omdat het ‘moet’. En altijd met enige argwaan kijken naar de ‘wij’ in ‘zo doen wij dat hier’. Want wie zijn die wij, en wie hoort daar niet bij?In het onderwijs is de vraag die zich opdringt: Hoe verhouden we ons tot het gegeven dat niet iedereen hetzelfde denkt over wat gepast is – in de wereld niet, in ons land niet, maar ook niet op onze school, zelfs niet in onze klas? Het lijkt onhoudbaar te zeggen: Onze manier is de juiste manier. Beter zouden we zeggen: Laten we met elkaar de ruimte behoeden waarin we verschillend kunnen denken over wat belangrijk is, en laat ons de bereidheid tonen daarover met elkaar steeds weer het gesprek te voeren.

In mijn eigen blog Ik hoor hun stem niet… neem ik een en ander onder de loep naar aanleiding van het terreurjaar 2015. Ik eindig daar mijn blog met het volgende

De scholen die nu het OKAN-verhaal met kinderen van vluchtelingen moeten waarmaken, verdienen al onze steun.

Leerkrachten in deze scholen zijn het academisch getheoriseer meer dan moe. Zij willen een maatschappelijke erkenning. Zij zijn ervaringsdeskundigen pur sang. Geef hen een stem in dit debat, aub. Je zal maar leraar zijn in Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek… Een hele maatschappij kijkt nu op hen neer, alsof zij hebben gefaald. “Barslecht onderwijs, falend onderwijs,…” lieten opiniemakers zoals Jan Goossens en Montassser Alde’emeh  zich ontvallen in de media. Niets is minder waar, zij hebben al zoveel baanbrekend werk gedaan! Hou hen gedreven! Onze samenleving heeft ze nodig, nu meer dan ooit! Maar ik hoor hun stem niet….

Ook jullie maken deel uit van multiculturele scholen. Jullie lessen zijn spannende bijeenkomsten waarin jullie leerlingen zich ontwikkelen tot autonome individuen – of volwassen subjecten, in de terminologie van Biesta – die zich bewust worden van hun verhouding met de wereld. Onderwijs is daarmee een moeilijk proces, risicovol en zonder garanties. Maar een prachtig risico, georiënteerd op het mogelijk maken van een menselijk bestaan in en met de wereld. Deze multiculturele wereld die steeds complexer wordt. Dank voor al deze prachtige risico’s die jullie nemen!

Gert Biesta (1)

Gert Biesta (2)

En vergeet het niet, jullie doen ertoe!

Advertenties


6 reacties

Ik hoor hun stem niet…

Ik had er eigenlijk geen zin in mij te mengen in het hele terreurdebat. Maar kunnen we ernaast kijken of wegkijken? Moeilijk. Zeker als de dagelijkse mediastroom onophoudelijk gerelateerde items in de huiskamer door onze strot duwt. En toch kan ik het niet laten mijn eigen kleine mening te ventileren. Want dat is het wat we krijgen voorgeschoteld: een overload aan meningen. Dus kan de mijne er ook nog wel bij. Van jihad-experts, terreurexperts, veiligheidsexperts, islamexperts, radicaliseringsexperts, deradicaliseringsexperts, Midden-Oosten-experts,… Hoe word je dat  dergelijke ‘expert’? En plots zijn ze met zoveel. Waarom hebben al deze experts dit allemaal niet op voorhand kunnen aankondigen of voorkomen? Maar waarom ik in mijn blogpen kruip is omdat ik hier en daar lees en hoor, met pijn in het hart, dat we allemaal hebben gefaald, ook onderwijs. Laat dIt nu de branche zijn waar ik iets over weet en ervaring in heb.

De eerste kinderen van de migrantenstromen van de jaren zeventig kwamen schoollopen in onze TSO/BSO-school in Gent, toen nog enkel meisjesschool, want gemengd onderwijs was nog niet verplicht. Ze volgden meestal de studierichting kleding. Ik zag ze graag komen en dacht wel ‘we zullen en kunnen ze wel emanciperen’. Dat lukte inderdaad bij mondjesmaat en we zagen vele meisjes openbloeien. Ik vond het zelf niet snel genoeg gaan, maar onze leerlingen gaven zelf aan dat zij al een wereld van verschil vaststelden t.o.v. hun oma’s in het thuisland. Problemen met hoofddoeken en aanverwanten waren nooit aan de orde. Het waren bijna vlekkeloze tijden en we hadden als lerarengroep het gevoel dat we goed werk deden. Toen besliste de overheid in de jaren tachtig dat het onderwijs gemengd moest zijn, in alle scholen. Onze eigen maatschappij was er klaar voor maar waren de moslimmigranten dat ook? Niemand vroeg het zich af. Ook mijn eigen Gentse school maakte de sprong. Vooral via de studierichting kantoor kwamen de jongens druppelsgewijs onze schoolpoort binnen. Onze leraren hadden een enorme kloof te overbruggen. Plots jongens in de klas in een meisjesschool en plots ook moslimjongens in een katholieke school geleid door een sterk geëmancipeerde zuster. Vlug ergens in een hoek van het gebouw een paar jongenstoiletten geïnstalleerd en we konden van start. Nascholingen voor leraren omtrent al deze nieuwe invalshoeken waren er nauwelijks, ook niet vanuit onze koepel. Leraren deden het met vallen en opstaan per 1 september. En of we vielen, ook directies. Negen directies op 15 jaar tijd. De jaren negentig werden woelige jaren. Maar als school voelden we hetzelfde stigma als de leerlingen die bij ons school liepen. ASO-scholen deden alsof ze met deze problematiek niets te maken hadden. En dat was ook zo. Het waren witte raven die TSO aankonden of mochten, en nog blekere raven die naar een college durfden/konden/mochten gaan. Het werd het jarenlange discours van witte en multiculturele scholen. De politiek suste haar geweten met een genereuze daad: meer middelen, meer lestijden (gok-uren),  jongeren-voor-jongeren-projecten, zorg-, brug-, gok-figuren… enfin.. een heel arsenaal mensen en middelen zonder evenwel goed te luisteren naar de echte noden van de personeelsleden in deze scholen. Daar moesten we het dan maar mee doen en verder onze bek in onze pluimen houden, om het wat oneerbiedig uit te drukken. Want deze zogezegde minderheidsgroep was ondertussen electoraal interessant geworden. Ik heb er heel veel leraren het beste van zichzelf weten geven, tot burn-out en depressie toe… Maar nergens kregen die leraren, ook niet  in hun eigen maatschappelijke kringen, een pluim voor de grote maatschappelijke relevantie van hun integratiebetrokkenheid op moslimleerlingen. Onze TSO-studierichtingen gingen eraan ten onder. We hebben ze gered door ze kortweg gezegd te verplaatsen van school. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. We probeerden een goede BSO-school uit te bouwen en te zijn. En dat is ze nog.

Als er één plaats is waar het samenleven geoefend wordt met meer dan 30 ‘roots’ en ‘culturen’ dan is het in dergelijke scholen. Nog steeds krijgen deze jongeren  geen diploma secundair onderwijs na een 6de jaar BSO.  Kan iemand mij een zinnig antwoord geven waarom een leerling in 6de Latijn, 6de jeugd- en gehandicaptenzorg,… dit wel kan verwerven en een leerling in 6de houtbewerking, 6de verzorging,… niet? Dat diploma SO is dé sleutel tot onze maatschappij. Uitgerekend deze veelal schoolmoeë jongeren krijgen te horen dat ze nog een zevende specialisatiejaar moeten volgen om dit toegangsbewijs tot onze samenleving te ‘verdienen’. Niet verwonderlijk dat een ongekwalificeerde uitstroom volgt en dat ze daarna de VDAB de rug toekeren zoals onlangs in de krant te lezen viel. De honderdplussers van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken en we laten de meest kwetsbaren aan de start komen met een negatief ‘kapitaal’.

In april 2005 pakte de overheid onder Frank Van den Broecke, die als minister zowel departement onderwijs als departement werk trachtte te verzoenen, uit met een driedaags colloquium ‘Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving’.  Vormgegeven door stichting Gerrit Kreveld en plaats van academische actie was Het Pand Universiteit Gent.  Hoofdrolspelers waren Bea Cantillon, Marc Elchardus, Kris Van Den Branden, Ides Nicaise, Koen Stassen en vele anderen.  Het bood de uitgelezen kans om ons, de ‘concentratiescholen’ zoals witte scholen over ons dachten, te beluisteren. Ik had er een hele bundel rond opgesteld met de passende titel “Een roep in het duister, een schreeuw in de woestijn”. Eindelijk, dacht ik, eindelijk. Maar ja, zoals dikwijls, een druppel op een hete plaat.

Ik ben betrokken bij de raad van bestuur van enkele super basisscholen in hartje Gent. Het is altijd ongelooflijk te zien en te merken hoe onze leraren hier het verschil maken! Iedereen, van poetsvrouw, over leraren, ondersteunend personeel en directies, kijken met open vizier naar de multiculturele maatschappij waar zij al zolang mee vertrouwd zijn. En wat krijgen ze voor die dertig jaar inzet in dit integratiedebat? Nog meer verwijten dat ons onderwijs heeft gefaald.  Maar de kinderen die er les volgen komen nu meer dan vroeger in een spagaat terecht. Tijdens de week volgen ze les in onze scholen. In het weekend volgen ze islamschool. De moskeeën kampen met plaatsgebrek voor hun islamscholen. Niemand stelt zich hier vragen bij. Dit alles gefinancierd met gelden uit het Midden-Oosten. Het emancipatie- en democratiseringsverhaal van onze leraren lijkt zo een processie van Echternach. Een onderwijssysteem met wetten en toezicht kruist hier een vormingstraject waar niet de minste controle op is.  Het maakt leraren soms moedeloos en het lijkt of ze vechten tegen windmolens.  In de gezinnen van deze nieuwe Belgen leven ze met de visies van drie generaties samen: een generatie die nog hoopte op terugkeer naar land van oorsprong, een generatie ouders die voor ouderlingen en voor kinderen moet zorgen dikwijls in kansarmoedige omstandigheden, een generatie kinderen/jongeren die zich nergens meer thuisvoelt en alle grenzen aftoetst. Bij onze leraren in onze scholen stellen ze figuurlijke grenzen in vraag en komen deze zo steeds onder druk. Het hoofddoekendebat is er één van de 21ste eeuw en niet van ervoor. Het geen hand meer willen geven van vaders aan onze vrouwelijke leraren,  het dit en het dat….

Als dit geen wereldburgers zijn:

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: Mijn oma komt op bezoek. We moeten ze in Zaventem ophalen. Vanwaar komt je oma? Van Bulgarije, voor 14 dagen. En dan kan ik niet naar school komen.

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: We gaan in januari mijn broertje ophalen. Oh ja, waar is je broertje nu? In India, we vliegen over China. Ik zal een tijdje niet op school zijn.

Soms denk ik dat we door het verplicht gemengd maken van dergelijke scholen  in de jaren tachtig de allochtone gemeenschap niet voldoende generatie-tijd hebben gegeven om zich te leren emanciperen en democratiseren. Onze eigen vrouwenemancipatie heeft vele sterke vrouwen voortgebracht in toen nog hoofdzakelijk meisjesscholen. Islamitische jongens maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Maar ook conservatief opgevoede moslimmeisjes maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Tradities en eigen cultuurinvloeden zitten hardnekkiger vast in deze jongeren dan we wel denken. De scholen die nu het OKAN-verhaal met kinderen van vluchtelingen moeten waarmaken, verdienen al onze steun.

Leerkrachten in deze scholen zijn het academisch getheoriseer meer dan moe. Zij willen een maatschappelijke erkenning. Zij zijn ervaringsdeskundigen pur sang. Geef hen een stem in dit debat, aub. Je zal maar leraar zijn in Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek… Een hele maatschappij kijkt nu op hen neer, alsof zij hebben gefaald. “Barslecht onderwijs, falend onderwijs,…” lieten opiniemakers zoals Jan Goossens en Montassser Alde’emeh  zich ontvallen in de media. Niets is minder waar, zij hebben al zoveel baanbrekend werk gedaan! Hou hen gedreven! Onze samenleving heeft ze nodig, nu meer dan ooit! Maar ik hoor hun stem niet….

 

Recent onderzoek dat leraren zou kunnen ‘empoweren’ – hopelijk worden hier nascholingen aan verbonden…

http://www.ugent.be/nl/actueel/persberichten/diversiteit-divers-jong-jongeren-vlaanderen.htm

Als afsluiter:

http://www.hln.be/hln/nl/944/Celebrities/article/detail/2532982/2015/11/22/Bart-Peeters-neemt-terreuraanslagen-op-de-korrel-met-pakkend-lied.dhtml


1 reactie

Wat een brief van leerkracht aan leerling zou kunnen zijn

Reinhilde DecleirSoms kan ik opgaan in een tekst die plots opduikt in het dagelijkse krantenvoer. De brief van Reinhilde Decleir – ‘grande dame’ van het theater – in Het Nieuwsblad magazine van 24 oktober 2015 is zo een boodschap met body. De redactie vroeg 4 vooraanstaande Vlamingen op leeftijd (?!) een brief aan hun fictieve jongere ik te schrijven. Een originele opdracht. De brieven van Christine Van Broeckhoven, Mark Eyskens en Miet Smet bevatten mooie perspectieven op het leven. Maar ik beperk me tot Reinhilde omdat haar brief zo’n gedragen levenswijsheid uitstraalt.

Ik ben zo vrij haar tekst om te vormen naar een fictieve brief voor leraren aan hun pupillen. Door persoonlijke feiten niet te citeren maar haar bevlogen bedenkingen heel te laten. Het zou een brief van een leerkracht aan zijn/haar leerling kunnen zijn: een welkomstbrief bij de aanvang van het schooljaar, of een nieuwjaarsbrief halverwege of een afscheidsbrief eind juni.

Dag leerling die ik kansen geef – vrij naar Reinhilde Decleir

Het leven zal je overkomen. Maar ik ken je, uiteindelijk zal je iets doen wat je graag doet. Hou je vast, want in je leven zullen veel dingen gebeuren waar je weinig vat op hebt en heel weinig kan aan veranderen. Meermaals zal je een deur moeten kiezen en je zal ze ook moeten openen. Wat er verder gebeurt, hangt af van wie er aan de andere kant staat en welke kansen die persoon je zal geven. Niemand heeft voor de volle honderd procent in de hand wat er met zijn of haar leven gebeurt. En toch zijn er zaken die je wel in de hand hebt. En daar, beste jongere, kan je iets mee: durf sneller je capaciteiten naar boven te laten komen. Ik snap het wel, dat de drukte van het leven vertraging zal veroorzaken. Heel wat demonen zullen op de loer liggen. Niets meer doen, het opgeven, het wat laten hangen, de miserie verdrinken, trek op tijd aan de alarmbel. Vecht hiertegen, anders ben je een vogel voor de kat. Het is een grote illussie te denken dat het leven eenvoudiger wordt. Met ouder worden zul je veel kritischer in het leven staan. Toch moet je blijven relativeren. ‘Wees blij en geniet van je vrijheid’, meermaals zul je dit horen tijdens je jonge leven. Geniet van die onschuld waar je vandaag in leeft. Want de druk op jongeren wordt met de jaren groter. Laat je ook niet wijsmaken dat je iets móét worden. Probeer vooral te weten te komen wie je zelf bent en waar je goed in bent. Vandaag ben je misschien onderdanig, maar met de jaren zul je veel mondiger worden. Door je werk zul je dit al doende leren. Wees eerlijk met jezelf en met de anderen. Dat is iets wat je met de jaren onder de knie zult krijgen.

“Als je even niet weet wat te doen met je leven, doe dan iets met de dingen die op je pad komen.” Virginia Woolf

Ik ben op je pad gekomen en ik heb het beste met je voor. Jouw leerkracht!


1 reactie

Komkommertijd

Het was een klein artikeltje in de marge van de wetenschapspagina verzorgd door Dirk Draulans in Knack van 5 augustus 2015 dat me in de pen deed kruipen. Ondertussen ben ik als vakantielectuur de “Deugden van de tafel – een filosofie van het eten” van Julian Baggini aan het lezen.

Het zat er aan te komen. Onze leraren voeding in BSO- en TSO-studierichtingen studiegebied Personenzorg hebben het al veel langer vastgesteld: tieners weten niet meer wat voeding is, laat staan wat voeding bereiden is. Vele jongeren hebben tegenwoordig nog geen aardappelmesje in hun handen gehouden. De connectie met waar het voedsel vandaan komt en wat ze eten is totaal verloren aan het gaan. Een landbouwer probeerde onlangs kinderen naar zijn modern landbouwbedrijf te lokken om hen duidelijk te maken dat het vlees in hun fastfood van dieren afkomstig is. Horeca-Vlaanderen bepleit dat bij een kindvriendelijke aanpak op restaurant de typische kindermenu’s (zoals spaghetti, kip met appelmoes,…) zouden worden vervangen door kleinere porties van de volwassenenmenu’s. Gevarieerd eten moet je leren.

We zijn er in één generatie tijd in geslaagd de kennis- en kundeoverdracht van ouder op kind i.v.m. voeding telen, kweken, bewaren en bereiden ongedaan te maken. Waar sinds mensenheugenis deze vaardigheden zoals bereiden en bewaren van voedsel volgens aloude principes van moeder/vader op dochter of zoon werd doorgegeven, zijn we nu totaal aan het vervreemden van onze voeding. We zijn massaal in het opwarmtijdperk terecht gekomen. De bereidingskeuken is verplaatst naar heuse fabrieken die 7 op 7 en 24 op 24 uren voor onze snelle hap zijn gaan zorgen. Het succes van Piet Huysentruyts kookeducatie bestond erin de modale man/vrouw achter het fornuis bij te staan bij het bereiden van eten. Maar hijzelf begon SOS te roepen en zag dat het dweilen met de kraan open is. Hij hield het voor bekeken, niettegenstaande een miljoenen kookboekenverkoop. Jeroen Meus en anderen proberen de dagelijkse keuken te promoten op het scherm maar worden daarbij begeleid door de voedingsindustrie, niet door gezondheidsoverwegingen. Wie nog het best de gezonde keuken weet te promoten is Pascale Naessens. Vanuit haar eigen bezorgdheid om gezondheid, voeding en natuur, weet ze met haar pure keuken aloude principes van eerlijke voeding onder de aandacht te brengen. Echter niet bij Jan Modaal. Het zijn hogeropgeleiden die haar boeken kopen, niet de jongeren.

Wat men thuis niet ziet, wordt voor een kind geen vanzelfsprekendheid. Wie hier de grootste baat bij heeft zijn de mastodonten van de voedingsindustrie. Nestlé, Unilever, … hun gamma kant-en-klaar-producten van duizend-en-één-smaken neemt van baby- tot seniorenfood  steeds meer rayons in de supermarkten in beslag. Belgische boeren zijn op wereldschaal bekeken keuterboeren en zijn sowieso de pineut. Ze verdienen aan voedsel telen en kweken het zout in hun pap niet meer. De consument wordt zoet gehouden met kant-en-klaar-voeding of half-fabricaten met teveel zout, teveel suiker, teveel verdoken vet, …. De wetenschap ten spijt hebben suiker-, frisdrank-, en andere lobby’s steevast hun slag thuis gehaald, en daar hebben ze flink wat geld voor over. Vele wetenschappers trokken al aan de alarmbel maar het dreigt echter een Don Quichot-gevecht te worden. De gezondheidszorg kreunt onder de kosten van de obesitas- en diabetespandemieën waar WHO en andere gezondheidsorganisaties moord en brand over schreeuwen.  Kosten die op de maatschappij worden afgewimpeld en die in deze eeuw verder zullen oplopen tot onbetaalbaar. Daarbij zal een vet- of suikertaks niet veel verschil maken. Niets is moeilijker dan comfortgedrag te veranderen eens consumenten verslaafd zijn gemaakt en geraakt. Maar al worden we dikker, we worden steeds ouder met gemiddeld 5 à 6 chronische aandoeningen op eerbare leeftijd. Door de geneeskunde vakkundig onder controle gehouden met gigantische winsten voor de farmaceutische industrieën. De honderdjarigen van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken. Maar of ze zich zullen voeden met herkenbare, laat staan gezonde, voedingsmiddelen die bereidingstechnieken en -tijd nodig hebben, is nog maar zeer de vraag. In Finse scholen heeft men radicale keuzes gemaakt en worden gezonde maaltijden gratis aan de leerlingen aangeboden.

De politiek probeerde sensibilisering te promoten en verplichtte de producenten de voedingsinformatie op hun producten te verduidelijken. Een doekje voor het bloeden. Het aantal kcal per 100 g voeding en de opsplitsing in aantal g vetten, koolhydraten, eiwitten moest worden vermeld op het etiket. Producenten volgden deze regelgeving na wat tegenspartelen, maar wisten wel de duidelijkere variant met knipperlichtsymbolen en kleurencodes (rood-oranje-groen) in de kiem te smoren. Daarbij speelt het in hun voordeel dat ook de wetenschappelijke kennis van wat vroeger voedingsleer noemde, die vervat zit in biochemische inhouden, en opgenomen is in de leerplannen natuurwetenschappen, terzelfdertijd bij diezelfde tieners sterk is teruggedrongen. Geen jongere die een zinnig antwoord kan formuleren bij de vraag naar wat een eiwit, een vet of een koolhydraat is en wat die dan wel doen in ons lichaam. De relaties tussen organische scheikunde/koolstofchemie en fysiologie lijken niet meer van deze tijd. De voedingsinfo op de etiketten wordt  met moeite gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Ze veroorzaakt geen gedragswijziging bij de bevolking zoals de beleidsmakers hadden gehoopt. Maar hun geweten is gesust.

In onderwijs hebben we alles wat als ‘huishoudkundig’ bestempeld kon worden, als niet relevant voor onderwijs gebrandmerkt en hebben we dit na de feministische golf in de jaren zeventig stelselmatig overboord gegooid. Meisjesonderwijs had zich gaandeweg geëmancipeerd, wat op zich een goede zaak was.  Gemengd onderwijs in de jaren tachtig was vooral een spiegeling aan het jongensonderwijs en dito inhouden. Zelfzorg, in zijn vele betekenissen, dat moesten jongeren maar zelf ondervinden en zelf uitzoeken. Het lijkt wel of hoe langer jongeren school lopen, hoe minder ze onderwezen worden in de dingen des levens die er echt toe doen. Voeding is er zo een van. Iedere jongere zou een minimum notie over voeding en gezondheid in de vingers moeten krijgen. Een kritische jongere schreef er een boeiende blog over.

Als ik deze week aangenaam vaststel dat een particulier initiatief corefever i.v.m. leren programmeren voor kinderen als zaterdagschool wordt georganiseerd, dan is de tijd misschien rijp voor foodcamps en zaterdagse voedingscursussen (foodeducation-pop-ups) voor kinderen en jongeren. De zaterdagschool heeft dus nog veel potentieel. Misschien een idee voor Pascale?! Want in het reguliere onderwijs vrees ik dat het komkommertijd zal blijven wat voeding en gezondheid betreft.

P.S. Op woensdag 12 augustus nog een alarmerend berichtje in de pers over de schadelijkheid van industriële transvetten in onze voeding, nog veel schadelijker dan gedacht. Maar de wetenschappers zullen allicht weer geen vat hebben op de machtige voedingsconcerns. En de consument…, hij is zich van geen kwaad bewust.


1 reactie

Zelfvertrouwen, niets voor vrouwen?

Eenmaal per jaar worden we met de internationale vrouwendag nog eens gewezen op termen als emancipatie, feminisme, rolpatronen,… en wordt er een roundup gemaakt over de huidige stand van zaken.

Wat we bereikt hebben, als vrouwen, en wat we niet bereikt hebben. Wat we aan onszelf te danken hebben en wat aan de anderen. Wat we van onszelf en anderen verwachten en wat we wensen en niet wensen. Aan de hand van allerlei lijstjes en onderzoeken worden meta-analyses geïnterpreteerd,  bv. dit artikel over meisjes en vrouwen in de wereldeconomie.

Elke Jeurissen en Cato Léonard van Glassroots proberen vrouwen in hun zelfvertrouwen een boost te geven via de straffemadammenclub. Liesbeth Van Impe als hoofdredacteur roept vrouwen op zich niet te laten tegenhouden door angst. Er is zo’n gezegde: ‘Achter ieder groot man staat een sterke vrouw’.  Nu nog die vrouwen op het voorplan krijgen door hun zelfvertrouwen te pimpen.

Wat de voorbije 50 jaar allemaal niet is veranderd voor vrouwen, het is een ellenlange opsomming. Dankzij inzichten van velen die hun nek hebben uitgestoken op een zichtbare manier maar vooral dankzij de inzet van velen die onzichtbaar in eigen rangen hun mannetje hebben gestaan. Zo iemand is mijn moeder, steevast meewerkende echtgenote – wat een term! – , die op haar zelfbewuste manier in haar winkel vrouwen tot meer zelfvertrouwen heeft aangemoedigd. Vrouwen van die naoorlogse generatie die ervoor gezorgd hebben dat hun kinderen alle onderwijskansen konden, mochten maar vooral moesten grijpen. Want vele vrouwen weten maar verdomd goed dat dankzij onderwijs vele poorten openen die anders gesloten blijven. Dat zie je in vele delen van de wereld waar educatie van meisjes maar met mondjesmaat wordt toegestaan. Educatie van meisjes wereldwijd , ik ben ervan overtuigd dat dit de wereld kan redden… .

Een bericht in de pers met betrekking tot onderwijs inspireerde me tot deze blog. Meisjes hebben nog steeds te weinig zelfvertrouwen en jongens zijn en blijven speelvogels. 😉

We wisten deze bevinding al eerder vanuit het onderzoek over de zogenaamde STEM-richtingen*.

Ikzelf moest hier toch denken aan mijn eigen onderwijsloopbaan. Toen ik eind jaren zeventig het regentaat wetenschappen aanvatte hadden we een docent wiskunde/fysica die sprak in termen van ‘Moleintje, ge gaat dat wel kunnen,… ‘. Deze leraar slaagde er met zijn enthousiasme bijna in om ons boeken van wiskunde te doen lezen alsof het romans waren. In mijn secundair had ik ook leraren getroffen zoals de begeesterende Mie-Chemie, de overtuigende Mevr. Van Hooland – vrouw van … – en de natuurminnende wijlen Hr. Papignies. Allen brachten ze ons de liefde voor de wetenschap bij met discipline en met fierheid. Is alles nu chemie of is alles nu fysica? Het werden mijn lievelingsvakken dankzij de motivatie en de onderwijsaanpak van deze ‘leer-krachten’.

Maar toen sloeg het noodlot toe. Die wiskunde/fysica-docent verdween plots na een paar maanden, stilzwijgend. Zonder uitleg van directie voelden we ons verweesd achtergelaten. Vooral de meisjes, die altijd links in het klaslokaal zaten. Het was zoals in de kerk toen. Meisjes en jongens in eenzelfde klas, het gemengd onderwijs was eindelijk een juridisch feit maar in de hoofden blijkbaar nog niet echt. Maar toen, eind jaren zeventig – ik zie dit fragment nog steeds helder voor ogen – kwam een nieuwe oude docent wiskunde/fysica het labo fysica binnengestormd als een stormram, met deze letterlijke woorden: “Mijn naam is …. maar mijn bijnaam in ‘Het Beest’ omdat ik hier de grootste vrouwenhater ben op deze school. Ik geloof niet dat meisjes/vrouwen geschikt zijn voor wetenschap en techniek. En beste jongens, ik zal jullie dat nog bewijzen ook.”  Mijn intuïtie liet me toen aanvoelen dat mijn toekomst op dat moment werd bezegeld. Gaandeweg verloor ik, en ik niet alleen, mijn zelfvertrouwen. Ik kon geen cosinus van sinus en tangens meer onderscheiden, de labo-lessen liet ik aan mij voorbijgaan in het studentencafeetje op de hoek, ik reed soms met dezelfde bus naar Gent en van Gent weg,… . Brossen werd een werkwoord waarvan ik me nochtans had voorgenomen het nooit te doen. Mijn ouders en mijn lief zagen mij wegkwijnen tot de bom barstte. Ik kapte ermee in maart. Na mij nog vele andere meisjes met een hart voor wetenschappen. De tijdsgeest van de jaren zeventig. Mijn onderwijsdroom was aan flarden gescheurd – door 1 man. Ik kon geen school meer zien.

Maar dankzij mijn ouders, mijn broers en mijn lief (nu mijn echtgenoot) raapte ik me langzaam weer bij elkaar en kroop uit de put van mistroostigheid. Met één perspectief voor ogen: mijn onderwijsdroom alsnog na te streven. Maar ook met één zelfzekerheid: dat ik me nooit nog door een man in dit streven zou laten kortwieken.

Nu, zo’n dertig jaar later zoekt men volop hoe de rode loper kan worden uitgerold voor meer meisjes in studierichtingen die gericht zijn op o.a. wetenschappen en wiskunde. Er moeten soms generaties overheen gaan om grondige mentaliteitswijzigingen door te voeren.

Als we meisjes meer willen doen geloven in zichzelf dan hebben we vrouwen maar ook mannen nodig die de kunst verstaan van motiveren, waarderen, enthousiasmeren, en zoveel andere positieve werkwoorden die eindigen op ‘EREN’. En dat alles begint in het onderwijs!

 

 

* STEM staat voor Science Technology Engineering Math


3 reacties

Leraar, je doet ertoe! Vergeet dat niet!

Nieuwjaarswensen in het onderwijs nodigen uit om de leraren gemeend een hart onder de riem te steken.

Dit was mijn nieuwjaarsspeech voor de leraren van Klimrek en Boomhut Gent. En wie weet kan het  anderen inspireren. Ik was in elk geval geïnspireerd door de tekst van Peter Heerschop. In België is Peter Heerschop misschien minder bekend. Hier zie je en hoor je Peter aan het woord: http://www.youtube.com/watch?v=mmQiO6fV110

Delen en inspireren door gebruik van het internet, het levert een waaier aan mogelijkheden. Ik werd zelf op de nieuwsjaarreceptie van onze diocesane pedagogische begeleidingsdienst aangenaam verrast door filmfragmenten van Freek De Jonge* (fabel en sprookje) en wijlen Seth Gaaikema. De Nederlandse cabaretiers zijn ‘in’ als inspiratiebron dezer dagen.

Lieve w-onderwijsmensen

Ik heb me voor deze nieuwjaarsbrief gebaseerd op een artikel van Peter Heerschop (augustus 2013) omdat ik het volledig met hem eens ben. Ik heb de tekst een beetje bewerkt en citeer een aantal passages uit zijn artikel als blijk van dank vanuit het schoolbestuur KO Gent-West voor jullie inzet en loyaliteit voor het Klimrek en de Boomhut.

Peter Heerschop is Nederlands cabaretier, acteur, tv-programmamaker en schrijver maar was ook leraar lichamelijk opvoeding.

 ‘Leraar, je doet er toe! Vergeet dat niet!’

Doe ik er toe?

Een vraag die je jezelf als juf of meester af en toe stelt. Doe ik er eigenlijk wel toe?  Laat ik beginnen met de bedreiging van dergelijke vraag ‘Doe ik er toe?’.

De eerste bedreiging ben jezelf. Als je zelf vindt dat je er niet toe doet, dan heb je al een groot probleem.
Dan kom je in de houding van ‘Maakt niet Uit’.
Dan geef je les op een manier, omdat je dat altijd al zo hebt gedaan.
Dan ben je klaar als de bel gaat.
Dan zit je in de pauze een beetje te staren in de lerarenkamer.

Als jij je niet meer verantwoordelijk voelt voor het hele onderwijs in het algemeen, de school in het bijzonder en elke afzonderlijke leerling in het aller bijzonderst, dan kom je op een punt dat je er inderdaad niet toe doet.

Daarentegen, leraren die bereid zijn om verantwoordelijkheid te nemen, bv. door na school mee te doen aan een schoolfeest, extra taallessen, mee te gaan op uitstappen, gaan kijken bij een ander, gesprekjes na schooltijd,… die leraren werken veel meer uur, maar worden beslist minder moe. Van enthousiasme word je vrolijk.

 Doe je er toe?

De volgende bedreiging komt van buitenaf.
Voortdurend verschijnen er artikelen in de media, ook namens de minister van onderwijs, dat we ons zorgen moeten maken over het niveau van het onderwijs en van de scholen. En dan gaat het altijd over het cognitieve niveau. Altijd over scholen met een achterstand. En het rekenen gaat achteruit, en de taal, en de wetenschappen en…. Hogescholen falen, het wetenschappelijk niveau is dramatisch. Komt allemaal door de verloedering van het onderwijs.

Bij doorlichting van een school gaat het ten eerste om de meetbare eindresultaten. Er staat nooit bij met hoeveel inzet en energie en unieke plannen van aanpak de leraren er lesgeven.

Er wordt vanuit bestuurlijk niveau wel heel weinig gemeld over dat ander niveau van lesgeven. Over leraren die een band aangaan met kinderen, die elke dag nieuwe voorbereidingen maken en ideeën uitwerken.  Over juffen en meesters die elke dag de strijd aangaan om met elkaar beter te worden; die nieuwe aanpakken bedenken; die verder denken dan alleen het cijfer voor de toets, maar die werkelijk talenten op langere termijn boven halen.

Elke politieke partij heeft in hun laatste verkiezingsprogramma staan dat ze meer aandacht willen voor de leraar. Maar wat staat er dan bij. Ik lees nergens een achterliggende visie die recht doet aan iemand die les geeft. Er staat eigenlijk dat ze zelf meer moeten bijleren. Er staat nergens dat we de leraar moeten beschermen. Dat we laten merken hoe belangrijk ze zijn. Dat we vertrouwen hebben. Dat we ze ondersteunen door bv. kleinere klassen, comfortabele lokalen,…Dat we een veel positievere beeldvorming wensen na te streven.

Je werkt je kapot en je wilt af en toe daar ook wel iets positiefs over horen.

Dat kan. Op momenten als deze Nieuwjaarsreceptie.

Sommige kinderen zijn niet zo goed in wiskunde, sommigen zijn niet zo goed in talen. Maar ze hebben wel talenten. Waarom sluiten we de weg af om die talenten uit te bouwen door steeds hogere barrières op te werpen van vakken die ze niet kunnen; die ze voor hun basis misschien wel maar voor de totale ontplooiing van hun talent niet echt nodig hebben?

Begrijp me allemaal goed. Ik vind ook dat leerlingen veel moeten leren. Juist wel. Maar dat wat ze leren dat ze het ook leuk vinden, en interessant en dat ze anderen er enthousiast over vertellen en anderen helpen en noem maar op.

Ook ik vind dat leerlingen op tijd moeten zijn, en vestje uit, en luisteren. Tuurlijk. Maar er is een waardevolle toevoeging. En dat is de manier van lesgeven.

Er is onderwijs op basis van het schoolwerkplan.
Er is onderwijs op basis van liefde.

Als we het maar willen zien en stimuleren en laten merken dat we het waarderen. Dan zien ouders het ook. En dan zijn zij trots.

Leerlingen merken het indirect ook, want die zien een juf of een meester die zich kapot werkt, maar daar ook van geniet. Omdat ze gesteund worden door iedereen om hen heen. Dan kun je aan anderen uitleggen dat het het mooiste beroep van de wereld is. Het is het enige beroep dat alle andere beroepen creëert. Want lesgeven is niet het vullen van een mand maar het aanwakkeren van een vuur.

Deze juffen en meesters stralen uit wat ze heel goed weten: ‘Wij doen er toe’.

Wij staan voor de klas, wij staan in de klas, wij staan – hoe dan ook – achter de klas.

En wij merken van alle kanten dat we er toe doen.

Zo is het!!

Jullie doen er toe.

Het gebeurt in de klas en het werkt een leven lang door in al die kinderen hun verhalen.

Laat iedereen ze doorvertellen.

Je doet er toe!

Vergeet dat niet!

Dit filmpje ‘Educate the heart’ ondersteunt dit  op een mooie visuele wijze.

Op een gezond en boeiend 2015!

Voor elke tocht is er een gouden ster: een woord, een teken, een uitweg, een terugweg als het moet.

Voor elke wonde is er een balsem van mirre: een vriend, een hand, een thuis, een boek, een beeld, een lied misschien.

Voor elk verlangen is er een zweem van wierook, ongrijpbaar verspreid en liefdevol gekoesterd.

Goud, mirre en wierook op jouw tocht in 2015!

Show ‘De Verbouwing’ van Freek De Jonge


29 reacties

Open brief aan Mevrouw Crevits

Open brief aan mevrouw Crevits en haar kabinet

 

Geachte Mevrouw Crevits

Geachte kabinetsleden van het Ministerie van Onderwijs

Geachte dames en heren aan de onderhandelingstafel

Ik was in eerste instantie aangenaam verrast in de kranten te vernemen dat er nagedacht wordt over hervormingen in verband met de lesopdrachtbreuk van de leraren in het secundair onderwijs. Maar na lezing van deze artikels bleef ik met een slecht gevoel zitten. Over de onheuse noemer van de opdrachtbreuk van leraren PV-vakken wordt met geen woord gerept.

Al meer dan 20 jaar blijft er een enorme calamiteit in het onderwijs overeind: leraren 1ste graad hebben 22 contacturen, leraren 2de graad 21 contacturen, leraren 3de graad 20 contacturen maar vooral leraren PV hebben 29 contacturen in hun lesopdrachtbreuk. Een calamiteit die in deze huidige onderwijstijden van competentie-ontwikkelend leren niet meer te verantwoorden is. Voor 1990 hadden, in alle graden secundair onderwijs, leraren PV een opdrachtbreuk van 24-sten en leraren AV en TV 21-sten. De calamiteit (22/21/20/29) is ontstaan eind jaren ’80 en begin jaren ’90 onder invloed van de vakbonden en de toenmalig minister van onderwijs Luc Van den Bossche. Deze minister moest zijn hervorming van het hoger onderwijs (bachelor- en masterstructuur) begin jaren ’90 betaalbaar houden en moest daartoe bezuinigingen zoeken in het secundair onderwijs. Eén van zijn bezuinigingsopdrachten bestond erin de leraren beroepsgerichte vakken (PV) naar een noemer van 30-sten te katapulteren. Tot groot ongenoegen van deze ‘praktijk-leraren’. Maar door hun beperkte slagkracht ten opzichte van zoveel leraren AV en TV hebben ze deze hervorming moedeloos ondergaan. De vastbenoemde leraren werden geconcordeerd in hun 24-sten op basis van het jaar 1989. Maar alle andere leraren PV-vakken kregen de noemer 30-sten op hun actief en dus ook op hun loonbriefje. Het gemor bleef dan toch wel wat aanhouden en als compensatie wisten de vakbonden toen deze regeling uit de brand te slepen. Onvoorstelbaar maar het was te nemen of te laten, want er lagen nog heel wat hete hangijzers op de onderhandelingstafel zoals de toekomst van de technische regentaten.

  • 1ste graad: alle leraren AV/TV/PV 22sten
  • 2de graad: leraren AV/TV 21sten – PV 30sten
  • 3de graad: leraren AV/TV 20sten – PV 30sten

Scholen mochten toen (en mogen dat nu nog)  hun leraren extra plage-uren = onbetaalde lesuren toebedelen. Leraren PV konden dus tot 32 lesuren in hun korf krijgen. Een zeer grote discrepantie ten opzichte van de leraren AV/TV. De vakbonden kwamen nog eens onderhandelen op het kabinet van Onderwijs onder minister Marleen Vanderpoorten en sleepten nog een pleister op een houten been uit de brand: de noemer van PV-leraren daalde tot 29sten en de schoolbesturen mochten PV-leraren maar 1 plage-uur meer toekennen.  Op deze manier werd het aantal lesuren voor een leraar PV max. 30. AV- en TV-leraren mochten max. 2 plage-uren toebedeeld krijgen.

Deze drastische oneerlijke regel is ondertussen al meer dan 20 jaar blijven bestaan. Geen enkele onderwijsminister voelde zich geroepen om deze maatregel te herzien. Niettegenstaande het vele ongenoegen van onrechtvaardige behandeling die de PV-leraren lieten horen. Het VSKO nam akte van deze ongelijkheid maar kreeg ze ook niet rechtgezet. Aan vakbondszijde bleef het al die tijd wat betreft PV-leraren windstil.

Als dit kabinet van Onderwijs nu durft kiezen, alweer door bezuinigingen geïnspireerd, voor een herziening van de noemer van de opdrachtbreuken van leraren dan hoop ik dat de leraren PV in deze herziening gelijke behandeling mogen ervaren. Eindelijk!

Maar er is meer aan de hand. Doorheen de voorbije 20 jaar zijn de praktijkvakken in de feiten ter ziele gegaan. Praktijkvakken zijn allang geen praktijk meer zoals door velen gepercipieerd. Praktijkvakken zijn uitgegroeid tot volwaardige kwaliteitsvolle vakken waarbij de theorie, de toegepaste wetenschappen, de wetgeving rond de beroepen waartoe ze opleiden, de wetten op welzijn, preventie en veiligheid,… geïntegreerd worden aangereikt. Daarbij komt ook nog de digitalisering die in al deze beroepen plaatsvindt.  Personenzorg-gerichte beroepen kunnen niet meer zonder digitalisering van medische toestellen en rapportering via digitale patiëntendossiers, nijverheidstechnische beroepen kunnen niet meer zonder inzichten over domotica en robotica,… en zo kan ik nog veel voorbeelden benoemen.

Al deze ontwikkelingen worden in de vorm van competentie-ontwikkelend leren aangeboden met activerende werkvormen en begeleid zelfstandig leren tot gevolg. Leraren die in deze studierichtingen lesgeven moeten zich via levenslang leren blijven professionaliseren in ontwikkelingen en trends die in vele beroepssectoren elkaar in hoog tempo  opvolgen.  In de TSO-BSO-scholen is een stille revolutie bezig en laat me toe te zeggen dat modern onderwijs momenteel daar vorm krijgt. Daar ervaar je dat onderwijskunde vakdidactische ontwerpkunde is geworden. Leraren geven er in multidisciplinaire teams les met geïntegreerde leerplannen in functie van de beroepsprofielen, maar met verschillende noemers, lees dus verloning, voor hetzelfde werk.

Het is dan ook wenselijk dat bij de hervorming van het secundair onderwijs niet alleen de schotten ASO-TSO-BSO worden neergehaald. Maar dat de leraren van TV-PV-vakken de herwaardering krijgen die ze verdienen: AV-, TV-, PV-uren en dito verloning zijn totaal achterhaald. Ze getuigen van de opdeling die voortvloeit uit het post-industrieel tijdperk.  Scheer alle leraren in het secundair onderwijs over dezelfde kam. Classificeer hun opdracht allemaal onder eenzelfde noemer. Als men erin slaagt arbeiders- en bediendenstatuten te hervormen moet men er in secundair onderwijs toch kunnen in slagen deze calamiteit met zeer vergaande gevolgen voor vele leraren eindelijk eens voorgoed uit de weg te ruimen. Dat bachelors en masters verschillend verloond worden is evident, maar niet op basis van noemers opdrachtbreuken lestijden.

Waar men schrik heeft dat de optrekking van de noemers  van de opdrachtbreuken van 20-sten en 21-sten naar 22-sten tot verlies van banen zal leiden, dan kan ik hoopvol zeggen, dat de noemer 29-sten verlagen naar dezelfde 22-sten banen zal opleveren.

Alstublieft, heren en dames van het onderwijsbeleid, grijp deze unieke historische kans waarbij iedereen weet dat besparingen nodig zullen zijn, om eens en voor altijd de ongelijkheid tussen leraren secundair onderwijs ongedaan te maken. Heel veel leraren in TSO-BSO onderwijs zullen jullie hiervoor meer dan ooit dankbaar zijn. En hopelijk mogen deze leraren van hun collega’s, die jarenlang hebben kunnen genieten van het 20/21 voorrecht, solidariteit verwachten.

In holistische, dynamische en emancipatorische tijden wil ik blijven ijveren voor gelijkwaardige behandeling, voor gelijkwaardige waardering, voor gelijkwaardige verloning, voor gelijkwaardigheid tout-court! Het kan het onderwijs alleen maar ten goede komen.

 

Ingrid Molein

pedagogisch begeleider Personenzorg