Leergulzig

Hoop cultiveren, vernedering vermijden, angst overwinnen, vertrouwen scheppen en optimisme uitstralen. Over wat me beroert en wat me ontroert.


Een reactie plaatsen

kleine k en kleine c

Vijftig jaar na datum vraagt men zich in de media af wat de erfenis was van de summer of love van 1967. Hele reportages in de krant en een tentoonstelling in Oostende. Ik vind het een leuke insteek, die kortbij-geschiedenis van de voorbije halve eeuw.

De golden sixties lieten hun sporen na in zowat alle gemeenten. Hét volk raakte geschoold, geëmancipeerd en geëngageerd. Ook op het vlak van kleine k en kleine c: kunst en cultuur voor en door het volk. Amateurs en kunstenaars die vrijwillig engagementen opnamen omwille van de democratisering van de kunsten. Misschien is die onbaatzuchtige culturele ontvoogding nog wel de grootste erfenis uit de flower-power-periode. Denk maar aan de Gentse feesten jaren zestig-zeventig met wijlen beeldhouwer-zanger Walter De Buck, toen met Paula Monsart in commune- en hippie-stijl woonachtig in Merelbeke.

In Merelbeke was er een cultuurraad opgericht en werd in 1971 ‘Atelier 71’ boven de doopvont gehouden. Enkele hobbyïsten stelden in het huis van de familie Hebbelinck langs de Hundelgemsesteenweg een tentoonstelling op ter gelegenheid van de grote kermis. En van het een kwam het ander. Zoveel talent verdiende een gestructureerde aanpak. In 1971-1972 startte in de schoot van de cultuurraad een opleiding tekenen onder de deskundige leiding van Etienne Van de Velde, leraar-kunstenaar aan Sint-Lucas Instituut te Gent. Ze vonden onderdak in het stempellokaal van de RVA achter het toenmalig gemeentehuis. De heer Dries De Bock nam de leerling-schilders onder zijn hoede. Het ‘dopkot’ werd te klein en de groep trok naar klaslokalen in het GITO.  De woensdagavond werd dé avond waar alle deelnemers naar uitkeken. Onder de vele zelfstandigen die zo hun hobby konden beleven, bevond zich mijn moeder Hugette Rouan. Het is voor haar dat ik deze blog schrijf omdat zij een ode wil brengen aan zoveel vrijwillige engagementen van leraren-kunstenaars die Merelbeke rijk was. Etienne Van De Velde, woonachtig in de Kloosterstraat, is nog een van de weinigen die er kan van getuigen. Overleden zijn Dries De Bock leraar plastische opvoeding aan het GITO, Guido De Graeve schilder-glazenier en leraar aan de tuinbouwschool Melle, Godard Martens leraar aan Sint-Paulus, Nolle Versyp illustrator-graphicus en acteur, Jan Verwest schilder-beeldhouwer,… . Allemaal trotse kunstenaars die zich niet door overheden lieten dwarsbomen.

Mijn moeder heeft geen woensdagavond gemist. Er mocht van alles gebeuren in de bakkerij of in haar gezin maar gaan tekenen deed ze. Ze werd een fervente voorvechtster van de kleine k en kleine c. Er dienden zich steeds meer amateurs aan zodat ze moesten uitwijken naar de refter van de lagere school in de Kloosterstraat. Ook ‘de schilders’ o.l.v. Dries De Bock en de muziekacademie o.l.v. koster-organist Alfons Volckaert en Sylveer Reunes vonden er hun onderkomen.

Muziekacademie Merelbeke

Merelbeke: tekenclub Pro Arte op bezoek bij de muziekacademie met dirigent Silveer Reunes en Alfons Volckaert aan de piano. (H. Rouan)

En plots met de verkiezingen in aantocht in 1978 werden de subsidies voor de kleine k en kleine c geschrapt. De ‘tekenaars’ o.l.v. Etienne Van De Velde hebben dan maar hun eigen kleine k en kleine c opgericht: “Pro Arte” – kan het symbolischer! Een overheid kan talent niet tegenhouden! Ze waren niet te stoppen en dit privé-initiatief vond een nieuwe locatie in de kantine van voetbalclub Union aan de Gaversesteenweg. De ‘schilders’ vonden als Atelier 71 een onderkomen achteraan een kruidenierszaak, latere locatie van een ziekenkas, in de Poelstraat. De sportieve initiatieven in de voetbalclub, waar mijn vader Jozef Molein bij betrokken was, raakten overbevolkt en de tekenclub verloor alweer zijn locatie. Gevolg: een eeuwige zoektocht binnen en buiten Merelbeke naar ruimte voor hun hobby, hun talent. Met op gezette tijden een tentoonstelling hier of daar. Museabezoeken in binnen- en buitenland om inspiratie te halen en echte kunst te doorgronden. Met vaste en wisselende leden waaronder Marc Detelder, Jenny De Paepe-Van der Heyden, Maurice Vyncke, Robert De Leeuw, Hugo Brackenier, Van Damme, Octaaf Meiresonne, Gilbert Van Driessche, De Clercq, Willy Van Beveren, … .

Wat de leraren-kunstenaars hun volwassen leerlingen vooral leerden was het leren ‘kijken’. Alle kunst begint bij ‘kijken’ en ‘zien’.

Jong meisje

Tekenen naar levend model. (H. Rouan)

De overgebleven Pro-Arte leden zijn hoogbejaard maar dragen de kleine k en de kleine c nog steeds in hun grote hart ‘voor de kunst’. Ze kunnen er nog een boompje over opzetten! Afwachten wie in Merelbeke de fakkel van de kleine k en kleine c overneemt… Alleen met een toekomstig gebouw voor cultuur (?)  blaas je kleine k en kleine c geen nieuw leven in.

 

Advertenties


7 reacties

Geef ons heden ons dagelijks brood

Bakker: bedreigde diersoort donderdag 02 april 2015
De warme bakkers zijn met uitsterven bedreigd. Uit cijfers van VDAB blijkt dat er nog maar 2600 warme bakkers zijn in Vlaanderen, tegenover 4000 warme bakkers als we 20 jaar terugkeren in de tijd. Zien de bakkers het niet meer zitten? Omdat ze zo vroeg moeten opstaan, omdat ze financieel niet veel overhouden? Omdat de concurrentie van industriële bakkers te groot is?”

Volgens de vroegst bekende statistiek telde Nederland in 1909 iets meer dan 13.000 broodbakkerijen, dat moet in België analoog zijn geweest.

Ik heb het altijd normaal gevonden, mijn vader Jozef Molein die elke dag – toch wel 6 van de 7 dagen in de week – opstond om 2u30 en de viering (stookplaats onder de oven) aanwakkerde, en dat 50 jaar lang. Want we bakten het brood in een steenoven verhit met kolen en hout . Kolenhandel August Lippens en zonen uit Deinze, oom en neven van mijn vader, leverden de kolen. Grote briketten. De oven opgebouwd uit reflectère vuurvaste stenen, van Duitse makelij. Hij staat er nog, eenzaam, verlaten en verkommerd. Getuige van ambachtelijk erfgoed. Terwijl de oven opwarmde, vulde de bakker de trog met een mengsel van meel, gist, zout en water of melk. De trog en de grote oven onderaan waren geschikt voor tachtig tot negentig broden. In de bovenste oven werden ondertussen gebak en koeken afgebakken. Hier kon mijn vader al dan niet stoom laten doorstromen. Wie dacht dat de steamer een uitvinding is van deze tijd heeft het dus mis.

Het meel werd in zakken aangevoerd en opgeslagen in het meelkot. Als kind speelden we in deze donkere opslagruimte door van stapel op stapel te klauteren en te springen op de jutezakken. Heerlijk stofferig wit waren we dan.

Ik keek op naar mijn grootvader en mijn vader die met de ovenpaal de broden één voor één uit de oven trokken. Het moest vlug gaan want de steel werd heel heet en bijna niet meer vast te houden. Mijn broers en ik wilden dit ook kunnen en al spelenderwijs leerden we de knepen van het vak. Maar eenmaal een deel van het geheel onder de knie, kregen we wekelijks deze opdracht uit te voeren. We leerden werken al spelend. Nu zou dit alles als kinderarbeid worden bestempeld. Een grote misvatting. Mijn vader had zijn stiel ook van zijn vader geleerd. Maar zodra hij het handelsregister wou overnemen, moest hij een opleiding volgen in een vakschool. Op dinsdag en donderdag, samen met vriend Gilbert, naar vakschool Carels in Gent. Deze firma Carels had de eerste vakschool “Carels” in België opgericht te Gent naast zijn ateliers voor dieselmotoren. Deze was gevestigd aan de Offerlaan te Gent.

Met de tram van Merelbeke naar Gent en dan 15 minuten wandelen naar de vakschool. Twee jaar lang, les krijgen van mensen die het vak minder beheersten dan wat ze van hun vaders leerden. Maar zonder getuigschrift, geen bakkerij. Gilbert De Paepe is decennialang secretaris van de Koninklijke Bond der Brood- en Banketbakkers van Gent en omliggende en staat nog steeds paraat om zijn zoon een handje te helpen in zijn bakkerij in het centrum van Merelbeke.

Mijn grootvader had in de jaren vijftig zijn bakkerij aan de Molenhoek gemoderniseerd. Twee machines, alweer van Duitse grundlichkeit, een afweegmachine en een opbolmachine, kostten toen samen evenveel als een huis. Het was de tijd van mechanisering, van ontwikkeling van grond- en hulpstoffen bij de bloemmolens en van nieuwe consumentenvoorkeuren.

Ik zie het kneedmechanisme, aangedreven door kamwielen, assen en riemen nog staan. Ze maakte plaats voor een elektrische kneedmachine waar ik als kleuter bijna in tuimelde. Een geluk dat mijn vader alert op de stopknop duwde. De kneedmachine – de pétrin –  leidde tot arbeidsbesparing en een grote arbeidsverlichting.

Het was de eerste stap in het transformatieproces van een handmatige werkwijze naar een geautomatiseerde broodproductie. De bakker bepaalde hoeveel water het meel nodig had, voelde hoe goed het water werd opgenomen, of de gluten snel week werden, hoe snel het deeg taai werd en beoordeelde hoe de gisting verliep. Vervolgens moest het deeg rijzen en nogmaals gekneed worden om de ontstane koolzuurgasblaasjes klein te houden. Na een tweede rijstijd verdeelde mijn vader het deeg in stukken. Woog ze af tot deegklompen van een kilo of een halve kilo, want het gewicht van huishoudbrood was wettelijk bepaald. Hij vormde daarna de broden alsof hij het deeg masseerde. Met bewondering keek ik hoe mijn vader in elk hand, links en rechts even vlot, een deegklomp in geen tijd op de plank boven de trog tot mooie bollen draaide. Deze bollen lagen daarna maagdelijk wit in rijen te rijzen in de rijskast alvorens ze deskundig de oven werden ingeschoten met de ovenpaal. Een techniek die kundigheid vergde. De laatsten zullen de eersten zijn, maar de eersten die het laatste uit de oven werden gehaald, hielden er een (veel) donkerder korst op na. Er was dus geen tijd te verliezen met te staan prutsen met de ovenpaal. Uitovenen vroeg om tempo!

De mechanisering van het kneden stimuleerde de mechanisering van de verdere bewerkingsstappen. Om daarin te kunnen investeren moest een bakker voldoende afzet hebben. Dat kon door het brood aan huis te leveren, eerst met de triporteur – bij jonge gezinnen is zo’n bakfiets weer helemaal in – en later met de auto. Mijn vader heeft wat DAF-kes versleten.

triporteur bakkerij Molein

Grootouders Remi Joseph Molein en Clara Lippens met mijn vader als kind achteraan op de triporteur.

Nadat de eerste broden voldoende waren afgekoeld, werden ze door mijn moeder in de winkel verkocht. De benodigde tijd vanaf het opstoken van de oven tot de eerste verse broden bedroeg ongeveer vier uur. Het nadeel van de oven was dat de oventemperatuur tijdens het bakken daalde, waardoor de oven voor een tweede baksel weer moest worden opgestookt. Het rijzen was afhankelijk van de kwaliteit van het meel en de gist en de weersomstandigheden. Ook de stook en het kneedproces waren weersafhankelijk. Dat ’s nachts bakken was een gevolg van de fabrieken. Toen fabrieksarbeiders verder van huis gingen werken, wilden ze ’s ochtends brood voor de hele dag mee kunnen nemen in hun knapzak.  Daarna verspreidde de gewoonte om bij het ontbijt vers brood en koffiekoeken te eten zich geleidelijk naar de middenklasse en van de steden naar het platteland.

In de jaren zeventig kwamen daar de taartjes bij. Voorheen waren taarten een uitzonderlijke lekkernij op zon- en feestdagen en bij kermissen. Ik zie nog hoe kloeke vrouwen hun grote vlaaien en rozijnenbroden in onze oven kwamen afbakken. Dat was niet abnormaal bij kermissen en familiefeesten. De economische wederopbouw na WOII zorgde ervoor dat de klanten meer geld konden spenderen om taarten te kopen dan ze zelf te maken. De gâteaux deden hun intrede en de crème fraîche verdrong de crème au beurre. Maar de historiek van de patisserie is een heel ander verhaal.

Het werk van de warme bakker is, nu met programmeerbare elektrische ovens,  niet zozeer letterlijk ‘zwaar’ maar is mentaal zwaar en vraagt dagelijks een enorme ijzeren zelfdiscipline en een welwillende meewerkende bakkersvrouw.

Vandaag zie je met mondjesmaat nog een bakker die er een broodronde op na houdt. In de vitrines liggen dagelijks een waaier aan taartjes ons te verleiden om gekocht te worden zonder feestelijke uitspatting voor ogen. De smaak van heerlijk vers ambachtelijk brood, wie krijgt daar geen water van in de mond? In de warenhuizen gebruiken ze artificiële geuren om ons te doen geloven in het ambachtelijke karakter van hun industrieel bereid brood. De boterham is een belegd broodje geworden dat dicht bij school of werk wordt aangekocht.

Is dit het tijdperk van de zwanenzang van de warme bakker? Het valt te vrezen. Maar de ware warme bakker is en blijft vooral een ambachtsman.


3 reacties

R4 verbindt, myheritage.com ook

Op 26 april 2014 worden de 15 werven op en rond de R4 in Merelbeke definitief ingehuldigd. Naar aanleiding van deze gebeurtenis geef ik een stukje familiegeschiedenis prijs. Omdat diegenen die ons voor gingen alle lof verdienen voor hun hard labeur. Op die voor België machtige rivier, de Schelde, en later in verbinding met de Ringvaart hebben heel wat schippers en hun familie lief en leed gedeeld. Langs grootmoeders zijde heeft de binnenscheepvaart heel wat gemoederen beroerd. Uitgerekend op deze dag duikt een ver familielid op waarbij het varen nog altijd deel uitmaakt van hun dagelijks leven. De site myheritage.com verbindt dus ook.

Op basis van reconstructie van verhalen van mijn moeder en grootmoeder maakte ik volgende familiegeschiedenis een beetje ‘leesbaar’. Deze  blog draag ik dus op aan alle levende en gestorven schippers en hun familie. Omdat we dit stukje geschiedenis niet zouden vergeten.

De Scheldezonen van Merelbeke: ijzeren mannen op houten schepen

Rond 1840 komen de eerste schepen in de familie. Toen werden ook massaal kanalen aangelegd omdat in tijden dat vervoer met paard en kar gebeurde, het voordeliger was bouwmaterialen, steenkool, kalk  en andere goederen per schip te vervoeren.

Het eerste scheepstype was de ‘houten waal’:  34m op 38m, max. 5m breed, diepgang 2,4 à 2,5 m, laadvermogen 350 tot 380 ton. Ze werden o.a. in de scheepswerf van Merelbeke vervaardigd. De houten waal ontstond in de 19e eeuw en bleef nog dienst doen als binnenvaartschip tot na de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk stond men te sturen in de open lucht. Later kwamen er halfopen overkappingen, zodat de schipper beschermd stond. Nog later werden de stuurhutten volledig dicht gemaakt.

Na het houten type komt ook  het ijzeren type meer en meer voor: de ‘spits’. Geschikt voor alle bevaarbare waterlopen. De spits is een vrachtschip waarvan de afmetingen zijn afgeleid van de maten van de sluizen en kanalen in Frankrijk. (Deze afmetingen van de kanalen werden in 1879 vastgelegd door minister van openbare werken Charles de Freycinet. De sluiskolken moesten minimaal 5,20 meter breed en 40 meter lang zijn. De minimale waterdiepte bedraagt 2,20 meter en de maximale doorvaarthoogte is 3,50 meter.) De spits was 38m tot  47m lang  op 5m, diepgang 2,4 m omdat de Schelde toen niet dieper was. Laadvermogen 450 ton. Daar de sassen ook niet breder waren, konden de schepen niet breder gemaakt worden. Dus enkel de lengte werd langer om meer ton te kunnen vervoeren.

Een volgend scheepstype was ‘de kempenaar’: 50 m lang op 6,6 m breed, blijvende diepgang van 2,5m maar wel al een laadvermogen van 600 ton. Oorspronkelijk gebouwd voor de vaart op de  Kempische kanalen in Zuid-Nederland en België.

Het rechttrekken van de Schelde en het verbreden van de sassen na de WOII zorgde ervoor dat de schepen groter konden worden.

De grootste schepen op de binnenscheepvaart waren de rijnschepen: toen 1350 ton tot 2000 ton, 80m lengte en min. 9,5 m breed.

Een schippersgezin leefde aan boord van deze schepen in primitieve omstandigheden, althans naar hedendaagse normen. Het schippersgezin was vaak groot en leefde in een ruimte van 4 bij 3 of 4 meter. Onderaan de roef was het “achteronder” waar de mensen moesten slapen in alkoven (ingekaste slaapplaatsen), terwijl de kleinste kinderen soms in open kastladen te slapen werden gelegd.

De eerste schepen varen zonder motor en werden getrokken door vrouwen, kinderen en paarden op wat nu de jaagpaden naast de rivieren zijn.  Met gareel en zeel, een echt labeur. Er was ook een zeil op de schepen maar in de steden moesten de zeilen  gestreken worden. Men huurde een extra man met paard in, de ketser genoemd. Sommige schippers  hadden een eigen trekpaard op het schip. Het zijn deze jaagpaden die nu tot de R4 zijn omgevormd.

De volgende stap waren de sleepboten die met stoom vaarden, dankzij de uitvinding van de stoommachine,  die de schepen de stadswateren binnenloodsten of bij windstilte als extra hulp op de binnenwateren. Eén sleepboot trok soms 3 tot 4 binnenschepen. Tot in de jaren vijftig was dit gebruikelijk. Later werden de sleepboten gebruikt voor de duwvaart.

Tijdens de eerste WO werden schippers verplicht naar het front te varen met goederen voor de soldaten  zoals suiker, kolen, … Dit was een risicovolle onderneming want de kanonschoten langs de vaarten schoten over en langs de schepen heen. De schepen werden door de Duitsers steeds onderzocht op wollen matrassen, vlees, koper,.. en dit werd dan  aangeslagen.  Gevolg was dat tijdens de WOII in 1940 bij de nieuwe bezetting door de Duitsers deze materialen werden weggestoken.

Op het einde van WOI werden de schippers opgeëist om de aangeslagen goederen naar Antwerpen te voeren en daar over te laden op  Duitse schepen. Hele smidsen, apotheken, alles wat niet te heet en te zwaar was. Daar op korte tijd de oorlog van winnend kamp wisselde, raakten veel Duitse schepen echter niet meer weg met hun ‘gestolen’ lading.

Voor de eerste WO was er een bloeiende binnenvaart door de ‘steenschepen’. Ze  vervoerden de bakstenen die langs de Scheldemeersen van  Merelbeke, Schelderode, tot in Eine gemaakt werden in de vele steenbakkerijen waar ook vrouwen en kinderen meewerkten. Oa. de bakstenen voor de bouw van de Gentse Vooruit die nu 100 jaar bestaat.

Tussen de 2 wereldoorlogen was er een bloeiende trafiek met de sleepboten voor aanvoer van cement van Doornik of van Obourg, kalk uit Antoing  en dit naar Deinze,  Eeklo, dakpannen uit Boom,… Veel steenkolen werden verscheept van Mons, Blaton, Peruwelz,… naar onze contreien… Graan uit Duinkerke voor de bloemmolens van Deinze en Gent.  Bloemmolens hadden hun eigen schepen die steeds voor hen trafiek deden: beurten genaamd.

Schepen werden zo weinig mogelijk leeg teruggezonden: bakstenen, bloem, … werden zo naar Henegouwen gebracht. De Schelde was een echte levensader die vele families welvaart heeft gebracht. Grondstoffen uit Henegouwen en Noord-Frankrijk werden tot afgewerkte producten gemaakt in Oost- en West-Vlaanderen. Een bloeiende handel kwam zo tot stand.

De echte opmars van motoren in de schepen situeert zich rond 1920 en 1925, terzelfdertijd werd de kop van het schip ontmanteld om het schip 5m te verlengen. Daardoor hadden de scheepswerven extra werk. In Merelbeke waren dat de ‘zaten’ van de Roose en Van de Kerckhove. Veel Merelbekenaars vonden daar werk, tot 50 man per werf. Timmermannen, schrijnwerkers, metaalbewerkers,… Deze schepen waren echt doordacht want de stuurhutten konden er af genomen worden om onder lage bruggen te kunnen varen.

De schepen werden geladen door mannen met kruiwagens en zakken. Laders en lossers. Rijkere families hadden een eigen magazijn aan de Schelde, meestal in de buurt van de scheepswerven, waar hun kolen werden gelost uit de schepen. Kolenhandelaars kwamen zich daar bevoorraden.  Zo ontstond in de buurt van de scheepswerven een hele handel. Voor Merelbeke was dit de buurt van de Kuiel, die zich zo tot een waar handelscentrum ontpopte.

De binnenscheepvaart had af te rekenen met de hoogteverschillen in de rivieren. Hierdoor moesten sassen worden aangelegd. De belangrijkste hier waren het sas van  Gent aan de Keizerspoort, het sas van Asper, … .

In Henegouwen waren er beduidend meer waardoor het traject in tijd langer duurde. De hydraulische scheepsliften van Thieu en van Charleroi konden verschillende sassen uitschakelen.

De Schelde was een bochtige rivier met veel meanders, ook dat bemoeilijkte de scheepvaart.  Tussen de 2 WO werd de Schelde rechtgetrokken, zo ontstonden vele ‘putten’ en Scheldearmen zoals de Meirsbloem, Sint-Elooiput, Schelderodeput, zonneputje, doornhammetje.. nu visvijvers of natuurgebied.

In Moen, op het kanaal Bossuit-Kortrijk, werd er een 611 meter lange  tunnel onder een berg gegraven speciaal voor de scheepvaart: een souterrain.  De schippers spraken van de konijnenpijp van Moen.  In Frankrijk zijn er zo veel, in Belgiê was dit de enige. Ze was totaal onverlicht. Op die manier kon men grondstoffen uit Ecaussines, Soignies en Doornik vervoeren naar Gent over het water zonder een omweg van 138 kilometer te maken.

In 1940 brak de 2de WO uit. Voor de scheepvaart een ramp. Het Belgische leger verplichtte de schippers hun schip af te staan zodat het leger ze kon doen zinken. Ze  bliezen het ruim op zodat het met water onderliep. Ook bruggen werden opgeblazen. Men dacht dat de Duitsers op deze manier tot stilstand konden worden gebracht. Vb. een houten schip van een grootoom met kolenlading voor de toenmalige Sidac werd zo tot zinken gebracht. Voor een schippersfamilie een echte ramp. Het Belgische leger was ook niet zo onschuldig: leegstaande panden en winkels van mensen die op de vlucht waren, werden geplunderd.

Anderzijds werden schepen tijdens de WO  gebruikt om als pontons te dienen om noodbruggen op te leggen. In Gent, Zelzate, Terdonk, …, de schippers werden hiervoor vergoed: toen 51 Duitse mark per dag.

Timmermannen en metaalbewerkers van de scheepswerven die nu geen werk meer hadden, vonden werk bij carrosserie Stevens in Ledeberg. Hierdoor konden ze ontsnappen aan tewerkstelling in Duitsland. Bij Stevens werd de oorlogsbuit zoals camions van de Engelsen omgebouwd tot vrachtwagens voor de Duitsers.

Na WOII  werd de Ringvaart aangelegd. De aanleg van de Ringvaart begon in 1950; ze werd op 18 november 1969 officieel ingehuldigd.  Dit betekende het einde van de scheepswerven in Merelbeke.

In 1909 waren er in België 4408 binnenschepen.[1]

Merelbeke bracht hele generaties schippers voort. De schippersfamilies van Merelbeke, waarvan velen familiebanden hadden met elkaar:

–          Victorin Gyselinck  was reeds schipper rond  1840

Hij wordt stamvader van een heel geslacht schippers, via zijn zoon Joannes Baptist Gyselinck, zijn dochter Corula Gyselinck die huwt met schipper Ludovicus Becu, zijn dochter Josephine,…

Afstammelingen:

  • August Gustaef Gyselink, gehuwd met Cordula Cornelia Gyselinck, zelf ook dochter van een schipper Joannes Baptista Gyselinck – schip “Scheldezoon”; hun oudste zoon Jan Baptist zal zelf ook schipper worden.
  • Desiré Gyselinck – schip “Marius” – later werd hij loods;
  • Victor Gyselinck – schip “Serpent” – daarna brugdraaier in Zwijnaarde;
  • Dominicus Gyselinck – schip “Clemente”;
  • Julius Marie Gyselinck –  schip “Jumagy”

Henri Gyselinck en Maria Pede  kregen 16 kinderen maar slechts 8 kinderen, 6 zonen en 2 dochters, bleven in leven.  August Gustaef Gyselinck was de oudste. Dit getuigt van de zware omstandigheden waarin de gezinnen leefden. Van die 6 zonen zijn er 5 schipper geworden.  Hun bijzonderste schip noemde de Scheldezoon. Dit schip ligt nu nog steeds aan de Eifeltoren in Parijs als woonboot op de Seine.

Tussen 1900 en 1914 konden van deze 6 zonen Gyselinck  5 zonen zich uitloten uit het leger (cfr. de loteling) maar de jongste moest 6 jaar legerdienst tegemoet omwille van WOI.

Ondanks de zware levensomstandigheden werden de ouders Henri Gyselinck en Maria Pede beiden in de tachtig jaar, wat toen zeer oud en uitzonderlijk was.

Hetzelfde gebeurde in de familie Vercammen:  7 zonen en 1 dochter en van de 6 zonen hadden er 5 een eigen schip.

–          August Vercammen, gehuwd met Josephine Gyselinck, dochter van schipper Joannes Baptista Gyselinck: 6 van de 7 zonen worden schipper.

  • Romain Albert Vercammen  – Schip “NIAMOR” (had een dronken man uit het water gered maar stierf daarna zelf aan fleurus)
  • Hendrik Frans Vercammen – schip “SIX FRERES”
  • Florens Vercammen – schip “2 gebroeders”
  • Jan Baptista Vercammen – schip “Deojuvent”
  • Alfons Desideer Vercammen – op schip van zijn vader “zoon Raymond” samen met broer Jozef. Vanaf huwelijk vaart Jozef Vercammen alleen met dit schip en noemt het naar zijn kinderen “Hilda- Roger”.

Maar ook nog ander families hadden schippers onder hun mannen en zonen.

De kinderen van de schippers werden op kostschool gestuurd, de zogenaamde schippersscholen voor trekkende bevolking: Gent, Evergem, Oostakker,… Ook de kinderen van foorreizigers en marktkramers liepen er school.

Op de radio werd 2x na elkaar ’s avonds familieberichten uitgezonden: zo konden de schippers het nieuws over hun familie beluisteren:  wie er gestorven was, vermist, gewond, …  want de telefoon was nog geen gemeengoed.

De scheepvaart was een zware stiel en niet zonder gevaar. Gevaar vanuit de natuur: een grootoom werd op zijn schip door de bliksem getroffen;  het woelige water tussen schip en wal, de mist en de donkerte op het water. De smalle loopplanken moest je echt gewoon worden.  Het gebruik van de valreep, touw met knopen, en touwladders was niet evident.  Ook de scheepsmotoren waren niet zonder gevaar.

Toch waren schippersfamilies trotse families die aan wal ondertussen probeerden een huis te kopen of te laten bouwen. Vrouwen probeerden dan winkel of café te houden terwijl man en zonen op ‘den vaart’ waren.

Mijn moeder  Huguette Rouan is kleindochter van schippersfamilie August  Gyselinck.  De Gyselincks zijn reeds vanaf de 17de eeuw geboren en getogen in en om Merelbeke. Heel veel afstammelingen dragen zo een familiehistorie mee van schippers , die niet mogen vergeten worden. Er zijn er echter weinigen die het nog kunnen navertellen.

Afstammelingen van Gyselinck of Vercammen kunnen de stamboom van Huguette Rouan terugvinden op internet: myheritage.com/molein-rouan

 

 

pastel tekening

pastel tekening familiegeschiedenis Gyselinck scheepvaart

 

 

 

[1] Eeuwfeestboek Waterwegen en zeekanaal 2007