Leergulzig

Hoop cultiveren, vernedering vermijden, angst overwinnen, vertrouwen scheppen en optimisme uitstralen. Over wat me beroert en wat me ontroert.


6 reacties

Ik hoor hun stem niet…

Ik had er eigenlijk geen zin in mij te mengen in het hele terreurdebat. Maar kunnen we ernaast kijken of wegkijken? Moeilijk. Zeker als de dagelijkse mediastroom onophoudelijk gerelateerde items in de huiskamer door onze strot duwt. En toch kan ik het niet laten mijn eigen kleine mening te ventileren. Want dat is het wat we krijgen voorgeschoteld: een overload aan meningen. Dus kan de mijne er ook nog wel bij. Van jihad-experts, terreurexperts, veiligheidsexperts, islamexperts, radicaliseringsexperts, deradicaliseringsexperts, Midden-Oosten-experts,… Hoe word je dat  dergelijke ‘expert’? En plots zijn ze met zoveel. Waarom hebben al deze experts dit allemaal niet op voorhand kunnen aankondigen of voorkomen? Maar waarom ik in mijn blogpen kruip is omdat ik hier en daar lees en hoor, met pijn in het hart, dat we allemaal hebben gefaald, ook onderwijs. Laat dIt nu de branche zijn waar ik iets over weet en ervaring in heb.

De eerste kinderen van de migrantenstromen van de jaren zeventig kwamen schoollopen in onze TSO/BSO-school in Gent, toen nog enkel meisjesschool, want gemengd onderwijs was nog niet verplicht. Ze volgden meestal de studierichting kleding. Ik zag ze graag komen en dacht wel ‘we zullen en kunnen ze wel emanciperen’. Dat lukte inderdaad bij mondjesmaat en we zagen vele meisjes openbloeien. Ik vond het zelf niet snel genoeg gaan, maar onze leerlingen gaven zelf aan dat zij al een wereld van verschil vaststelden t.o.v. hun oma’s in het thuisland. Problemen met hoofddoeken en aanverwanten waren nooit aan de orde. Het waren bijna vlekkeloze tijden en we hadden als lerarengroep het gevoel dat we goed werk deden. Toen besliste de overheid in de jaren tachtig dat het onderwijs gemengd moest zijn, in alle scholen. Onze eigen maatschappij was er klaar voor maar waren de moslimmigranten dat ook? Niemand vroeg het zich af. Ook mijn eigen Gentse school maakte de sprong. Vooral via de studierichting kantoor kwamen de jongens druppelsgewijs onze schoolpoort binnen. Onze leraren hadden een enorme kloof te overbruggen. Plots jongens in de klas in een meisjesschool en plots ook moslimjongens in een katholieke school geleid door een sterk geëmancipeerde zuster. Vlug ergens in een hoek van het gebouw een paar jongenstoiletten geïnstalleerd en we konden van start. Nascholingen voor leraren omtrent al deze nieuwe invalshoeken waren er nauwelijks, ook niet vanuit onze koepel. Leraren deden het met vallen en opstaan per 1 september. En of we vielen, ook directies. Negen directies op 15 jaar tijd. De jaren negentig werden woelige jaren. Maar als school voelden we hetzelfde stigma als de leerlingen die bij ons school liepen. ASO-scholen deden alsof ze met deze problematiek niets te maken hadden. En dat was ook zo. Het waren witte raven die TSO aankonden of mochten, en nog blekere raven die naar een college durfden/konden/mochten gaan. Het werd het jarenlange discours van witte en multiculturele scholen. De politiek suste haar geweten met een genereuze daad: meer middelen, meer lestijden (gok-uren),  jongeren-voor-jongeren-projecten, zorg-, brug-, gok-figuren… enfin.. een heel arsenaal mensen en middelen zonder evenwel goed te luisteren naar de echte noden van de personeelsleden in deze scholen. Daar moesten we het dan maar mee doen en verder onze bek in onze pluimen houden, om het wat oneerbiedig uit te drukken. Want deze zogezegde minderheidsgroep was ondertussen electoraal interessant geworden. Ik heb er heel veel leraren het beste van zichzelf weten geven, tot burn-out en depressie toe… Maar nergens kregen die leraren, ook niet  in hun eigen maatschappelijke kringen, een pluim voor de grote maatschappelijke relevantie van hun integratiebetrokkenheid op moslimleerlingen. Onze TSO-studierichtingen gingen eraan ten onder. We hebben ze gered door ze kortweg gezegd te verplaatsen van school. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. We probeerden een goede BSO-school uit te bouwen en te zijn. En dat is ze nog.

Als er één plaats is waar het samenleven geoefend wordt met meer dan 30 ‘roots’ en ‘culturen’ dan is het in dergelijke scholen. Nog steeds krijgen deze jongeren  geen diploma secundair onderwijs na een 6de jaar BSO.  Kan iemand mij een zinnig antwoord geven waarom een leerling in 6de Latijn, 6de jeugd- en gehandicaptenzorg,… dit wel kan verwerven en een leerling in 6de houtbewerking, 6de verzorging,… niet? Dat diploma SO is dé sleutel tot onze maatschappij. Uitgerekend deze veelal schoolmoeë jongeren krijgen te horen dat ze nog een zevende specialisatiejaar moeten volgen om dit toegangsbewijs tot onze samenleving te ‘verdienen’. Niet verwonderlijk dat een ongekwalificeerde uitstroom volgt en dat ze daarna de VDAB de rug toekeren zoals onlangs in de krant te lezen viel. De honderdplussers van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken en we laten de meest kwetsbaren aan de start komen met een negatief ‘kapitaal’.

In april 2005 pakte de overheid onder Frank Van den Broecke, die als minister zowel departement onderwijs als departement werk trachtte te verzoenen, uit met een driedaags colloquium ‘Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving’.  Vormgegeven door stichting Gerrit Kreveld en plaats van academische actie was Het Pand Universiteit Gent.  Hoofdrolspelers waren Bea Cantillon, Marc Elchardus, Kris Van Den Branden, Ides Nicaise, Koen Stassen en vele anderen.  Het bood de uitgelezen kans om ons, de ‘concentratiescholen’ zoals witte scholen over ons dachten, te beluisteren. Ik had er een hele bundel rond opgesteld met de passende titel “Een roep in het duister, een schreeuw in de woestijn”. Eindelijk, dacht ik, eindelijk. Maar ja, zoals dikwijls, een druppel op een hete plaat.

Ik ben betrokken bij de raad van bestuur van enkele super basisscholen in hartje Gent. Het is altijd ongelooflijk te zien en te merken hoe onze leraren hier het verschil maken! Iedereen, van poetsvrouw, over leraren, ondersteunend personeel en directies, kijken met open vizier naar de multiculturele maatschappij waar zij al zolang mee vertrouwd zijn. En wat krijgen ze voor die dertig jaar inzet in dit integratiedebat? Nog meer verwijten dat ons onderwijs heeft gefaald.  Maar de kinderen die er les volgen komen nu meer dan vroeger in een spagaat terecht. Tijdens de week volgen ze les in onze scholen. In het weekend volgen ze islamschool. De moskeeën kampen met plaatsgebrek voor hun islamscholen. Niemand stelt zich hier vragen bij. Dit alles gefinancierd met gelden uit het Midden-Oosten. Het emancipatie- en democratiseringsverhaal van onze leraren lijkt zo een processie van Echternach. Een onderwijssysteem met wetten en toezicht kruist hier een vormingstraject waar niet de minste controle op is.  Het maakt leraren soms moedeloos en het lijkt of ze vechten tegen windmolens.  In de gezinnen van deze nieuwe Belgen leven ze met de visies van drie generaties samen: een generatie die nog hoopte op terugkeer naar land van oorsprong, een generatie ouders die voor ouderlingen en voor kinderen moet zorgen dikwijls in kansarmoedige omstandigheden, een generatie kinderen/jongeren die zich nergens meer thuisvoelt en alle grenzen aftoetst. Bij onze leraren in onze scholen stellen ze figuurlijke grenzen in vraag en komen deze zo steeds onder druk. Het hoofddoekendebat is er één van de 21ste eeuw en niet van ervoor. Het geen hand meer willen geven van vaders aan onze vrouwelijke leraren,  het dit en het dat….

Als dit geen wereldburgers zijn:

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: Mijn oma komt op bezoek. We moeten ze in Zaventem ophalen. Vanwaar komt je oma? Van Bulgarije, voor 14 dagen. En dan kan ik niet naar school komen.

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: We gaan in januari mijn broertje ophalen. Oh ja, waar is je broertje nu? In India, we vliegen over China. Ik zal een tijdje niet op school zijn.

Soms denk ik dat we door het verplicht gemengd maken van dergelijke scholen  in de jaren tachtig de allochtone gemeenschap niet voldoende generatie-tijd hebben gegeven om zich te leren emanciperen en democratiseren. Onze eigen vrouwenemancipatie heeft vele sterke vrouwen voortgebracht in toen nog hoofdzakelijk meisjesscholen. Islamitische jongens maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Maar ook conservatief opgevoede moslimmeisjes maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Tradities en eigen cultuurinvloeden zitten hardnekkiger vast in deze jongeren dan we wel denken. De scholen die nu het OKAN-verhaal met kinderen van vluchtelingen moeten waarmaken, verdienen al onze steun.

Leerkrachten in deze scholen zijn het academisch getheoriseer meer dan moe. Zij willen een maatschappelijke erkenning. Zij zijn ervaringsdeskundigen pur sang. Geef hen een stem in dit debat, aub. Je zal maar leraar zijn in Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek… Een hele maatschappij kijkt nu op hen neer, alsof zij hebben gefaald. “Barslecht onderwijs, falend onderwijs,…” lieten opiniemakers zoals Jan Goossens en Montassser Alde’emeh  zich ontvallen in de media. Niets is minder waar, zij hebben al zoveel baanbrekend werk gedaan! Hou hen gedreven! Onze samenleving heeft ze nodig, nu meer dan ooit! Maar ik hoor hun stem niet….

 

Recent onderzoek dat leraren zou kunnen ‘empoweren’ – hopelijk worden hier nascholingen aan verbonden…

http://www.ugent.be/nl/actueel/persberichten/diversiteit-divers-jong-jongeren-vlaanderen.htm

Als afsluiter:

http://www.hln.be/hln/nl/944/Celebrities/article/detail/2532982/2015/11/22/Bart-Peeters-neemt-terreuraanslagen-op-de-korrel-met-pakkend-lied.dhtml

Advertenties


1 reactie

Wat een brief van leerkracht aan leerling zou kunnen zijn

Reinhilde DecleirSoms kan ik opgaan in een tekst die plots opduikt in het dagelijkse krantenvoer. De brief van Reinhilde Decleir – ‘grande dame’ van het theater – in Het Nieuwsblad magazine van 24 oktober 2015 is zo een boodschap met body. De redactie vroeg 4 vooraanstaande Vlamingen op leeftijd (?!) een brief aan hun fictieve jongere ik te schrijven. Een originele opdracht. De brieven van Christine Van Broeckhoven, Mark Eyskens en Miet Smet bevatten mooie perspectieven op het leven. Maar ik beperk me tot Reinhilde omdat haar brief zo’n gedragen levenswijsheid uitstraalt.

Ik ben zo vrij haar tekst om te vormen naar een fictieve brief voor leraren aan hun pupillen. Door persoonlijke feiten niet te citeren maar haar bevlogen bedenkingen heel te laten. Het zou een brief van een leerkracht aan zijn/haar leerling kunnen zijn: een welkomstbrief bij de aanvang van het schooljaar, of een nieuwjaarsbrief halverwege of een afscheidsbrief eind juni.

Dag leerling die ik kansen geef – vrij naar Reinhilde Decleir

Het leven zal je overkomen. Maar ik ken je, uiteindelijk zal je iets doen wat je graag doet. Hou je vast, want in je leven zullen veel dingen gebeuren waar je weinig vat op hebt en heel weinig kan aan veranderen. Meermaals zal je een deur moeten kiezen en je zal ze ook moeten openen. Wat er verder gebeurt, hangt af van wie er aan de andere kant staat en welke kansen die persoon je zal geven. Niemand heeft voor de volle honderd procent in de hand wat er met zijn of haar leven gebeurt. En toch zijn er zaken die je wel in de hand hebt. En daar, beste jongere, kan je iets mee: durf sneller je capaciteiten naar boven te laten komen. Ik snap het wel, dat de drukte van het leven vertraging zal veroorzaken. Heel wat demonen zullen op de loer liggen. Niets meer doen, het opgeven, het wat laten hangen, de miserie verdrinken, trek op tijd aan de alarmbel. Vecht hiertegen, anders ben je een vogel voor de kat. Het is een grote illussie te denken dat het leven eenvoudiger wordt. Met ouder worden zul je veel kritischer in het leven staan. Toch moet je blijven relativeren. ‘Wees blij en geniet van je vrijheid’, meermaals zul je dit horen tijdens je jonge leven. Geniet van die onschuld waar je vandaag in leeft. Want de druk op jongeren wordt met de jaren groter. Laat je ook niet wijsmaken dat je iets móét worden. Probeer vooral te weten te komen wie je zelf bent en waar je goed in bent. Vandaag ben je misschien onderdanig, maar met de jaren zul je veel mondiger worden. Door je werk zul je dit al doende leren. Wees eerlijk met jezelf en met de anderen. Dat is iets wat je met de jaren onder de knie zult krijgen.

“Als je even niet weet wat te doen met je leven, doe dan iets met de dingen die op je pad komen.” Virginia Woolf

Ik ben op je pad gekomen en ik heb het beste met je voor. Jouw leerkracht!


1 reactie

Komkommertijd

Het was een klein artikeltje in de marge van de wetenschapspagina verzorgd door Dirk Draulans in Knack van 5 augustus 2015 dat me in de pen deed kruipen. Ondertussen ben ik als vakantielectuur de “Deugden van de tafel – een filosofie van het eten” van Julian Baggini aan het lezen.

Het zat er aan te komen. Onze leraren voeding in BSO- en TSO-studierichtingen studiegebied Personenzorg hebben het al veel langer vastgesteld: tieners weten niet meer wat voeding is, laat staan wat voeding bereiden is. Vele jongeren hebben tegenwoordig nog geen aardappelmesje in hun handen gehouden. De connectie met waar het voedsel vandaan komt en wat ze eten is totaal verloren aan het gaan. Een landbouwer probeerde onlangs kinderen naar zijn modern landbouwbedrijf te lokken om hen duidelijk te maken dat het vlees in hun fastfood van dieren afkomstig is. Horeca-Vlaanderen bepleit dat bij een kindvriendelijke aanpak op restaurant de typische kindermenu’s (zoals spaghetti, kip met appelmoes,…) zouden worden vervangen door kleinere porties van de volwassenenmenu’s. Gevarieerd eten moet je leren.

We zijn er in één generatie tijd in geslaagd de kennis- en kundeoverdracht van ouder op kind i.v.m. voeding telen, kweken, bewaren en bereiden ongedaan te maken. Waar sinds mensenheugenis deze vaardigheden zoals bereiden en bewaren van voedsel volgens aloude principes van moeder/vader op dochter of zoon werd doorgegeven, zijn we nu totaal aan het vervreemden van onze voeding. We zijn massaal in het opwarmtijdperk terecht gekomen. De bereidingskeuken is verplaatst naar heuse fabrieken die 7 op 7 en 24 op 24 uren voor onze snelle hap zijn gaan zorgen. Het succes van Piet Huysentruyts kookeducatie bestond erin de modale man/vrouw achter het fornuis bij te staan bij het bereiden van eten. Maar hijzelf begon SOS te roepen en zag dat het dweilen met de kraan open is. Hij hield het voor bekeken, niettegenstaande een miljoenen kookboekenverkoop. Jeroen Meus en anderen proberen de dagelijkse keuken te promoten op het scherm maar worden daarbij begeleid door de voedingsindustrie, niet door gezondheidsoverwegingen. Wie nog het best de gezonde keuken weet te promoten is Pascale Naessens. Vanuit haar eigen bezorgdheid om gezondheid, voeding en natuur, weet ze met haar pure keuken aloude principes van eerlijke voeding onder de aandacht te brengen. Echter niet bij Jan Modaal. Het zijn hogeropgeleiden die haar boeken kopen, niet de jongeren.

Wat men thuis niet ziet, wordt voor een kind geen vanzelfsprekendheid. Wie hier de grootste baat bij heeft zijn de mastodonten van de voedingsindustrie. Nestlé, Unilever, … hun gamma kant-en-klaar-producten van duizend-en-één-smaken neemt van baby- tot seniorenfood  steeds meer rayons in de supermarkten in beslag. Belgische boeren zijn op wereldschaal bekeken keuterboeren en zijn sowieso de pineut. Ze verdienen aan voedsel telen en kweken het zout in hun pap niet meer. De consument wordt zoet gehouden met kant-en-klaar-voeding of half-fabricaten met teveel zout, teveel suiker, teveel verdoken vet, …. De wetenschap ten spijt hebben suiker-, frisdrank-, en andere lobby’s steevast hun slag thuis gehaald, en daar hebben ze flink wat geld voor over. Vele wetenschappers trokken al aan de alarmbel maar het dreigt echter een Don Quichot-gevecht te worden. De gezondheidszorg kreunt onder de kosten van de obesitas- en diabetespandemieën waar WHO en andere gezondheidsorganisaties moord en brand over schreeuwen.  Kosten die op de maatschappij worden afgewimpeld en die in deze eeuw verder zullen oplopen tot onbetaalbaar. Daarbij zal een vet- of suikertaks niet veel verschil maken. Niets is moeilijker dan comfortgedrag te veranderen eens consumenten verslaafd zijn gemaakt en geraakt. Maar al worden we dikker, we worden steeds ouder met gemiddeld 5 à 6 chronische aandoeningen op eerbare leeftijd. Door de geneeskunde vakkundig onder controle gehouden met gigantische winsten voor de farmaceutische industrieën. De honderdjarigen van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken. Maar of ze zich zullen voeden met herkenbare, laat staan gezonde, voedingsmiddelen die bereidingstechnieken en -tijd nodig hebben, is nog maar zeer de vraag. In Finse scholen heeft men radicale keuzes gemaakt en worden gezonde maaltijden gratis aan de leerlingen aangeboden.

De politiek probeerde sensibilisering te promoten en verplichtte de producenten de voedingsinformatie op hun producten te verduidelijken. Een doekje voor het bloeden. Het aantal kcal per 100 g voeding en de opsplitsing in aantal g vetten, koolhydraten, eiwitten moest worden vermeld op het etiket. Producenten volgden deze regelgeving na wat tegenspartelen, maar wisten wel de duidelijkere variant met knipperlichtsymbolen en kleurencodes (rood-oranje-groen) in de kiem te smoren. Daarbij speelt het in hun voordeel dat ook de wetenschappelijke kennis van wat vroeger voedingsleer noemde, die vervat zit in biochemische inhouden, en opgenomen is in de leerplannen natuurwetenschappen, terzelfdertijd bij diezelfde tieners sterk is teruggedrongen. Geen jongere die een zinnig antwoord kan formuleren bij de vraag naar wat een eiwit, een vet of een koolhydraat is en wat die dan wel doen in ons lichaam. De relaties tussen organische scheikunde/koolstofchemie en fysiologie lijken niet meer van deze tijd. De voedingsinfo op de etiketten wordt  met moeite gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Ze veroorzaakt geen gedragswijziging bij de bevolking zoals de beleidsmakers hadden gehoopt. Maar hun geweten is gesust.

In onderwijs hebben we alles wat als ‘huishoudkundig’ bestempeld kon worden, als niet relevant voor onderwijs gebrandmerkt en hebben we dit na de feministische golf in de jaren zeventig stelselmatig overboord gegooid. Meisjesonderwijs had zich gaandeweg geëmancipeerd, wat op zich een goede zaak was.  Gemengd onderwijs in de jaren tachtig was vooral een spiegeling aan het jongensonderwijs en dito inhouden. Zelfzorg, in zijn vele betekenissen, dat moesten jongeren maar zelf ondervinden en zelf uitzoeken. Het lijkt wel of hoe langer jongeren school lopen, hoe minder ze onderwezen worden in de dingen des levens die er echt toe doen. Voeding is er zo een van. Iedere jongere zou een minimum notie over voeding en gezondheid in de vingers moeten krijgen. Een kritische jongere schreef er een boeiende blog over.

Als ik deze week aangenaam vaststel dat een particulier initiatief corefever i.v.m. leren programmeren voor kinderen als zaterdagschool wordt georganiseerd, dan is de tijd misschien rijp voor foodcamps en zaterdagse voedingscursussen (foodeducation-pop-ups) voor kinderen en jongeren. De zaterdagschool heeft dus nog veel potentieel. Misschien een idee voor Pascale?! Want in het reguliere onderwijs vrees ik dat het komkommertijd zal blijven wat voeding en gezondheid betreft.

P.S. Op woensdag 12 augustus nog een alarmerend berichtje in de pers over de schadelijkheid van industriële transvetten in onze voeding, nog veel schadelijker dan gedacht. Maar de wetenschappers zullen allicht weer geen vat hebben op de machtige voedingsconcerns. En de consument…, hij is zich van geen kwaad bewust.


3 reacties

Gip, Gip, Hoera???? De geïntegreerde proef is een geërgerde proef.

In deze periode van de maand duiken in alle TSO-BSO-KSO scholen de voorstellingen van de geïntegreerde proeven op. De geïntegreerde proef of gip maakt in het Vlaamse TSO, KSO en BSO deel uit van het evaluatieprogramma van het laatste jaar. In de eindjaren van de 3de graden van de TSO-BSO-KSO richtingen (de 6de jaren maar ook nog eens in de specialisatiejaren kortweg 7de jaren). Een jaarlijks ritueel waar menig leerkrachtenteam zich moet buigen over de hamvraag “Voldoen de leerlingen aan het studierichtingsprofiel?”. De proef wordt in zijn geheel beoordeeld, ook al dragen verschillende vakken bij tot het eindtotaal. Ik heb ze hier ook weer op mijn bureau liggen, klaar om gelezen en beoordeeld te worden op ????

Alsof er geen andere weg is om deze leerlingen in hun kennen, kunnen en zijn te evalueren.  Begin jaren ’90 van vorige eeuw werd een geïntegreerde proef in het leven geroepen. Een herwerkte en gemoderniseerde aanpak van wat vroeger de kwalificatieproef was. De kwalificatieproef was een soort sluitstuk na 6 jaar studie  die de leerling de kans gaf zijn/haar beste beentje voor te zetten en zich te bewijzen in zijn of haar ‘kunde’ voor een gerenommeerde jury. Deze kwalificatieproef werd als oubollig afgedaan omdat het teveel focuste op het eindproduct en te weinig op het proces. Een ander vehikel werd dus gecreëerd in de zogenaamde Geïntegreerde proef (hierna gip genoemd) die niet echt een proef mocht zijn maar een proces over het hele schooljaar. Wettelijk werd niet veel meer meegegeven dan volgende criteria opgenomen in

  • art. 56 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs;
  • punt 8.1.1 van de ministeriële omzendbrief SO 64 van 25 juni 1999 over “Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs”.

Met betrekking tot de gip legt de regelgever de volgende verplichtingen voor de scholen vast, m.n.:

  • de leerjaren en onderwijsvormen waar de organisatie van de gip verplicht is;
  • de vakken die betrokken worden bij de gip;
  • wie de gip kan beoordelen;
  • de opname van de gip in het deliberatiedossier.
  • Daarnaast bepaalt de regelgever dat in het kader van het goed gebruik van de schooltijd de gip niet onder het maximum van 30 “evaluatiedagen” valt. De gip wordt vaak progressief doorheen het hele jaar opgebouwd en kan daarom moeilijk binnen een omlijnd tijdsbestek worden gevat.

Deze geïntegreerde proeven zijn een eigen leven beginnen leiden. Alsook de daarmee samengaande evaluatie. Leerlingen worden afwisselend gemotiveerd en gedemotiveerd gedurende het proces. Via de informatietechnologie worden de ‘eindwerken’ mooi gelay-outte voorbeelden van knip- en plakwerk. De leerkrachten moeten vergrootglas-gewijs de eindwerken uitpluizen op plagiaat en vinden nog met moeite zelf geconstrueerde zinnen op het voor- en dankwoord na. Onderzoeksvaardigheden zijn te weinig echt getraind om een verpletterende indruk na te laten, een ernstig interview of summiere enquête niet te na gesproken. Leerkrachten hebben er een pak opvolglast bijgekregen. De leerlingen moeten constant aan hun logboek en deadlines herinnerd worden. Leerkrachten krijgen de indruk dat zij meer inspanning leveren aan de gip dan hun leerlingen. Zij ervaren dit hele scenario als surplus maar niet als meerwaarde. Uiteindelijk proberen de leraren aan de voorstelling van deze gip een mondeling presentatiesluitstuk te breien. Onderwijs-sympathisanten worden vrijwillig ingelijfd tot externe jury. Leerlingen een beetje (veel) positieve stress en druk laten ervaren, kan zeker niet slecht bedoeld overkomen in deze communicatiemaatschappij. Maar sluiten al deze goedbedoelde opdrachten wel aan bij het studierichtingsprofiel? Kunnen leerlingen in TSO-BSO-KSO niet genoeg bewijs van kunde leveren via stage? Moeten leerlingen die het werkveld moeten betreden niet realistisch worden uitgedaagd via het normaal curriculum van de vakken? Moeten leerlingen in TSO-KSO al de smaak van de bachelorproeven te pakken krijgen? Waarom is ASO in deze dan buiten schot gebleven?

Om dan nog te zwijgen over de administratieve mallemolen om de eindbeslissing van de gip-jury over het al dan niet geslaagd zijn voor de gip juridisch correct aan de delibererende klassenraad voor te leggen. Omdat het gip-evaluatieconcept een wettelijke basis heeft, neemt de notoire doorlichting de hele procedure grondig onder de loep. Van planlast gesproken.

Eigentijds onderwijs zou steeds en in alle leerjaren via het curriculum van de vakken moeten inzetten op:

–  het zoeken van oplossingen voor een nieuw probleem, het afronden van een taak zonder instructies over de te volgen aanpak of het samenstellen van een complex product/dienst dat voldoet aan een aantal vooraf gestelde eisen. Een verhoogd leerrendement wordt bereikt als de oplossing in de echte wereld moet worden geïmplementeerd.

– verschillende niveaus van samenwerking waarbij leerlingen gedeelde verantwoordelijkheid voor het werk hebben. Leerlingen leren hierdoor belangrijke samenwerkingsvaardigheden als onderhandelen, taken verdelen, luisteren naar ideeën en kennis van anderen, en integratie van kennis in een samenhangend geheel. Leerlingen hebben elkaar nodig om tot een product/dienst te komen. Samenwerken kan plaatsvinden door middel van face-to-face interactie of met behulp van technologie voor het delen van ideeën of middelen.

–  leeropdrachten waarbij leerlingen zelf verantwoordelijk zijn voor planning, kwaliteitsbewaking en uiteindelijke zelfevaluatie en reflectie. Daarbij wordt de effectiviteit verhoogd als leerlingen bij aanvang van de taak op de hoogte zijn van de beoordelingscriteria.

–  activiteiten waarin leerlingen nieuwe informatie en inzichten kunnen combineren met wat ze al weten. Dat kan bijvoorbeeld door het doen van onderzoek, analyse, synthese, evaluatie en interpretatie van kennis en informatie. De leerlingen sturen hun eigen leren (mede) zelf aan en worden gecoacht en gestimuleerd door de leerkracht.

Daarnaast is een zich ontwikkelende kennissamenleving gebaseerd op een leven lang leren. Van burgers wordt verwacht dat ze zich flexibel kunnen opstellen en aanpassen aan de veranderende omstandigheden in leven, leren en werken.

Durven we in modern onderwijs tabula rasa maken van wat ooit de meesterproef was? Volgens wikipedia:

De meesterproef was een werkstuk dat door een ambachtsman werd vervaardigd met het doel als meester lid te kunnen worden van een gilde.

Voor het eerst is sprake van de meesterproef in de 16e eeuw. In de loop van de 17e eeuw worden meesterproeven ingevoerd voor bijna alle andere belangrijke ambachten.

De huidige generatie leerplannen dragen geïntegreerd werken in zich, leveren leerarrangementen aan die vakoverschrijdend worden aangepakt, zetten in op leerstrategieën.

Nu nog een strategie bedenken om de gip definitief naar het verleden te verwijzen. Misschien kan operatie Tarra helpen.


Een reactie plaatsen

Gedragsindicatoren: een inspiratiedocument

Ik merk dat in nogal wat pedagogische didactische werken de leraren worden aangemoedigd om attitudes van leerlingen te omschrijven als

– attitudegedragingen moeten in uitwendig waarneembaar gedrag geformuleerd worden,…
– attitudegedragingen moeten in positief leerlingengedrag geformuleerd worden,…
– attitudegedragingen moeten in verstaanbare leerlingentaal zijn,…
– attitudegedragingen moeten bereikbaar, haalbaar, aanvaardbaar zijn,…
– attitudegedragingen moeten zinvol zijn,…

Maar ik zie in mijn pedagogisch begeleidingswerk de vertaalslag ervan naar concreet waarneembare gedragingen een moeilijke oefening waarbij het lijkt dat iedere leraar zelf en telkens opnieuw het warm water moet uitvinden. Daarom hebben mijn collega Tine Van Severen en ikzelf een inspiratiedocument ontwikkeld dat, toegepast op studiegebied Personenzorg, heel concreet werkbaar is. Laat dit onze kleine bescheiden bijdrage zijn tot het vermijden van planlast waar Minister Crevits wil op inzetten.

Ik citeer ons VOORWOORD:

“Aan de hand van de leerplannen VVKSO van het studiegebied Personenzorg en de hierna opgesomde competentiewoordenboeken hebben we vanuit de diocesane pedagogische begeleiding Bisdom Gent een poging ondernomen om leraren te helpen bij het determineren van vaardigheden en attitudes in concreet observeerbaar gedrag. De gedragingen zijn uitgedrukt in gedragsindicatoren en zijn observeerbaar, actief en positief geformuleerd. Hiermee hebben we tot doel een jargon te ontwikkelen om leerlingen gerichter feedback te kunnen geven en beter te leren reflecteren. De leerling dient hierbij te evolueren van bewustwording naar integratie. Door ondersteuning en voortdurende reflectie in de verschillende graden, leert de leerling het gewenste gedrag in normale omstandigheden te stellen.

Deze gedragsindicatoren zijn voor iedereen eenduidig, afgebakend en kunnen als criteria worden gehanteerd.

Op het einde van deze bundel zijn als bijlagen een aantal ideeën mee opgenomen om de leerling bij aanvang van de graad zichzelf te laten inschatten. Dit kan voor de leerling een eerste middel zijn tot zelfreflectie. Door hier op regelmatige tijdstippen op terug te komen, kan het een hulpmiddel zijn om de persoonlijke groei van de leerling in kaart te brengen en op het einde van de graad tot een eensgezind besluit te komen. Deze conclusie, aangevuld met aanbevelingen en afspraken, kan worden meegenomen bij de aanvang van de volgende graad. Op deze manier wordt voor de leerling een individuele groeilijn uitgestippeld en kan zijn/haar gedrag worden bijgestuurd.

We hopen dat dit instrument bijdraagt tot verduidelijking van gedragsmatige doelen die in de leerplannen vervat zitten. Samen met kennis en vaardigheden dragen ze bij tot de totale ontwikkeling van de leerling.

Dit document is bedoeld als:

  • Inspiratiebundel om attitudes in concreet observeerbare gedragingen te verwoorden.
  • Verduidelijkingsmiddel om (beroeps)attitudes die eigen zijn aan studierichtingen in het studiegebied personenzorg in leerlinggerichte taal toe te lichten.
  • Communicatiemiddel om leerlingen bij het begin van een graad of een leerjaar te informeren over het gedrag dat in het studiegebied personenzorg wordt beoogd.
  • Overzicht van gedragsindicatoren welke groeikansen mogen krijgen gedurende de gehele vorming.
  • Afbakeningsinstrument om gedragsindicatoren over de graden heen in een soort leerlijn te vatten.
  • Afstemmingsinstrument om als lerarenteam vanuit het specifiek gedeelte een gelijkgestemde visie op attitudes te ontwikkelen.

Dit document is NIET BEDOELD:

  • Als attituderapportering: noch als middel, noch als model.
  • Om als evaluatiemethodiek of beoordelingsinstrument te worden gehanteerd.

Hopelijk kan dit document leraren inspireren om met gedragsfiches aan de slag te gaan vanuit een geïntegreerde visie op de verschillende algemene doelen binnen het specifiek gedeelte van de studierichting.

Ingrid Molein en Tine Van Severen”

Hier is de link naar dit document dat we ter beschikking stellen aan iedereen die inspiratie kan gebruiken en het op een positieve manier wil hanteren, zoals het document ook bedoeld is.

Gedragsindicatoren 3 januari 2015

doorzetting

doorzetting

Ik citeer hierbij graag een uitspraak van Guillaume Van der Stighelen

“Creatieve mensen willen hun ideeën zo snel mogelijk doorgeven aan anderen, minder begiftigde mensen hebben al eens een idee dat ze tot elke prijs voor zichzelf willen houden. Het gevolg is dat zo’n idee nooit kan groeien.”


7 reacties

Geef ons heden ons dagelijks brood

Bakker: bedreigde diersoort donderdag 02 april 2015
De warme bakkers zijn met uitsterven bedreigd. Uit cijfers van VDAB blijkt dat er nog maar 2600 warme bakkers zijn in Vlaanderen, tegenover 4000 warme bakkers als we 20 jaar terugkeren in de tijd. Zien de bakkers het niet meer zitten? Omdat ze zo vroeg moeten opstaan, omdat ze financieel niet veel overhouden? Omdat de concurrentie van industriële bakkers te groot is?”

Volgens de vroegst bekende statistiek telde Nederland in 1909 iets meer dan 13.000 broodbakkerijen, dat moet in België analoog zijn geweest.

Ik heb het altijd normaal gevonden, mijn vader Jozef Molein die elke dag – toch wel 6 van de 7 dagen in de week – opstond om 2u30 en de viering (stookplaats onder de oven) aanwakkerde, en dat 50 jaar lang. Want we bakten het brood in een steenoven verhit met kolen en hout . Kolenhandel August Lippens en zonen uit Deinze, oom en neven van mijn vader, leverden de kolen. Grote briketten. De oven opgebouwd uit reflectère vuurvaste stenen, van Duitse makelij. Hij staat er nog, eenzaam, verlaten en verkommerd. Getuige van ambachtelijk erfgoed. Terwijl de oven opwarmde, vulde de bakker de trog met een mengsel van meel, gist, zout en water of melk. De trog en de grote oven onderaan waren geschikt voor tachtig tot negentig broden. In de bovenste oven werden ondertussen gebak en koeken afgebakken. Hier kon mijn vader al dan niet stoom laten doorstromen. Wie dacht dat de steamer een uitvinding is van deze tijd heeft het dus mis.

Het meel werd in zakken aangevoerd en opgeslagen in het meelkot. Als kind speelden we in deze donkere opslagruimte door van stapel op stapel te klauteren en te springen op de jutezakken. Heerlijk stofferig wit waren we dan.

Ik keek op naar mijn grootvader en mijn vader die met de ovenpaal de broden één voor één uit de oven trokken. Het moest vlug gaan want de steel werd heel heet en bijna niet meer vast te houden. Mijn broers en ik wilden dit ook kunnen en al spelenderwijs leerden we de knepen van het vak. Maar eenmaal een deel van het geheel onder de knie, kregen we wekelijks deze opdracht uit te voeren. We leerden werken al spelend. Nu zou dit alles als kinderarbeid worden bestempeld. Een grote misvatting. Mijn vader had zijn stiel ook van zijn vader geleerd. Maar zodra hij het handelsregister wou overnemen, moest hij een opleiding volgen in een vakschool. Op dinsdag en donderdag, samen met vriend Gilbert, naar vakschool Carels in Gent. Deze firma Carels had de eerste vakschool “Carels” in België opgericht te Gent naast zijn ateliers voor dieselmotoren. Deze was gevestigd aan de Offerlaan te Gent.

Met de tram van Merelbeke naar Gent en dan 15 minuten wandelen naar de vakschool. Twee jaar lang, les krijgen van mensen die het vak minder beheersten dan wat ze van hun vaders leerden. Maar zonder getuigschrift, geen bakkerij. Gilbert De Paepe is decennialang secretaris van de Koninklijke Bond der Brood- en Banketbakkers van Gent en omliggende en staat nog steeds paraat om zijn zoon een handje te helpen in zijn bakkerij in het centrum van Merelbeke.

Mijn grootvader had in de jaren vijftig zijn bakkerij aan de Molenhoek gemoderniseerd. Twee machines, alweer van Duitse grundlichkeit, een afweegmachine en een opbolmachine, kostten toen samen evenveel als een huis. Het was de tijd van mechanisering, van ontwikkeling van grond- en hulpstoffen bij de bloemmolens en van nieuwe consumentenvoorkeuren.

Ik zie het kneedmechanisme, aangedreven door kamwielen, assen en riemen nog staan. Ze maakte plaats voor een elektrische kneedmachine waar ik als kleuter bijna in tuimelde. Een geluk dat mijn vader alert op de stopknop duwde. De kneedmachine – de pétrin –  leidde tot arbeidsbesparing en een grote arbeidsverlichting.

Het was de eerste stap in het transformatieproces van een handmatige werkwijze naar een geautomatiseerde broodproductie. De bakker bepaalde hoeveel water het meel nodig had, voelde hoe goed het water werd opgenomen, of de gluten snel week werden, hoe snel het deeg taai werd en beoordeelde hoe de gisting verliep. Vervolgens moest het deeg rijzen en nogmaals gekneed worden om de ontstane koolzuurgasblaasjes klein te houden. Na een tweede rijstijd verdeelde mijn vader het deeg in stukken. Woog ze af tot deegklompen van een kilo of een halve kilo, want het gewicht van huishoudbrood was wettelijk bepaald. Hij vormde daarna de broden alsof hij het deeg masseerde. Met bewondering keek ik hoe mijn vader in elk hand, links en rechts even vlot, een deegklomp in geen tijd op de plank boven de trog tot mooie bollen draaide. Deze bollen lagen daarna maagdelijk wit in rijen te rijzen in de rijskast alvorens ze deskundig de oven werden ingeschoten met de ovenpaal. Een techniek die kundigheid vergde. De laatsten zullen de eersten zijn, maar de eersten die het laatste uit de oven werden gehaald, hielden er een (veel) donkerder korst op na. Er was dus geen tijd te verliezen met te staan prutsen met de ovenpaal. Uitovenen vroeg om tempo!

De mechanisering van het kneden stimuleerde de mechanisering van de verdere bewerkingsstappen. Om daarin te kunnen investeren moest een bakker voldoende afzet hebben. Dat kon door het brood aan huis te leveren, eerst met de triporteur – bij jonge gezinnen is zo’n bakfiets weer helemaal in – en later met de auto. Mijn vader heeft wat DAF-kes versleten.

triporteur bakkerij Molein

Grootouders Remi Joseph Molein en Clara Lippens met mijn vader als kind achteraan op de triporteur.

Nadat de eerste broden voldoende waren afgekoeld, werden ze door mijn moeder in de winkel verkocht. De benodigde tijd vanaf het opstoken van de oven tot de eerste verse broden bedroeg ongeveer vier uur. Het nadeel van de oven was dat de oventemperatuur tijdens het bakken daalde, waardoor de oven voor een tweede baksel weer moest worden opgestookt. Het rijzen was afhankelijk van de kwaliteit van het meel en de gist en de weersomstandigheden. Ook de stook en het kneedproces waren weersafhankelijk. Dat ’s nachts bakken was een gevolg van de fabrieken. Toen fabrieksarbeiders verder van huis gingen werken, wilden ze ’s ochtends brood voor de hele dag mee kunnen nemen in hun knapzak.  Daarna verspreidde de gewoonte om bij het ontbijt vers brood en koffiekoeken te eten zich geleidelijk naar de middenklasse en van de steden naar het platteland.

In de jaren zeventig kwamen daar de taartjes bij. Voorheen waren taarten een uitzonderlijke lekkernij op zon- en feestdagen en bij kermissen. Ik zie nog hoe kloeke vrouwen hun grote vlaaien en rozijnenbroden in onze oven kwamen afbakken. Dat was niet abnormaal bij kermissen en familiefeesten. De economische wederopbouw na WOII zorgde ervoor dat de klanten meer geld konden spenderen om taarten te kopen dan ze zelf te maken. De gâteaux deden hun intrede en de crème fraîche verdrong de crème au beurre. Maar de historiek van de patisserie is een heel ander verhaal.

Het werk van de warme bakker is, nu met programmeerbare elektrische ovens,  niet zozeer letterlijk ‘zwaar’ maar is mentaal zwaar en vraagt dagelijks een enorme ijzeren zelfdiscipline en een welwillende meewerkende bakkersvrouw.

Vandaag zie je met mondjesmaat nog een bakker die er een broodronde op na houdt. In de vitrines liggen dagelijks een waaier aan taartjes ons te verleiden om gekocht te worden zonder feestelijke uitspatting voor ogen. De smaak van heerlijk vers ambachtelijk brood, wie krijgt daar geen water van in de mond? In de warenhuizen gebruiken ze artificiële geuren om ons te doen geloven in het ambachtelijke karakter van hun industrieel bereid brood. De boterham is een belegd broodje geworden dat dicht bij school of werk wordt aangekocht.

Is dit het tijdperk van de zwanenzang van de warme bakker? Het valt te vrezen. Maar de ware warme bakker is en blijft vooral een ambachtsman.


1 reactie

“Cube-it” of hoe een simpele dobbelsteen groepsopdrachten kan verrijken

Een inspirerend idee dat zeker in vele vakken kan toegepast worden!

DUURZAAM ONDERWIJS

In veel vakken moeten leerlingen een groepswerk uitvoeren waarbij ze een tekst doornemen en daarover vragen beantwoorden. Met een simpele dobbelsteen kan die groepsopdracht eigentijdser en motiverender gemaakt worden, én kan tevens vermeden worden dat slechts één of twee groepsleden al het werk doen en de anderen weinig energie investeren in het uitvoeren van de opdracht.

Na een introductiefase lezen alle leerlingen de brontekst in stilte. Vervolgens krijgen ze daarbij 6 verschillende opdrachten. De volgorde waarin ze die 6 opdrachten uitvoeren wordt bepaald door het gooien van een dobbelsteen waarop de namen van de zes opdrachten staan. Ik illustreer het principe met het lesvoorbeeld uit het boek “Productive Group Work” van Frey, Fisher & Everlove. De leerlingen lezen tijdens de les geschiedenis een brontekst over de California Gold Rush. De zes opdrachten zijn de volgende:

  1. Beschrijf het: Op één jaar tijd groeide de bevolking van San Fransisco van 9000 naar 56000…

View original post 503 woorden meer