Leergulzig

Hoop cultiveren, vernedering vermijden, angst overwinnen, vertrouwen scheppen en optimisme uitstralen. Over wat me beroert en wat me ontroert.


Een reactie plaatsen

kleine k en kleine c

Vijftig jaar na datum vraagt men zich in de media af wat de erfenis was van de summer of love van 1967. Hele reportages in de krant en een tentoonstelling in Oostende. Ik vind het een leuke insteek, die kortbij-geschiedenis van de voorbije halve eeuw.

De golden sixties lieten hun sporen na in zowat alle gemeenten. Hét volk raakte geschoold, geëmancipeerd en geëngageerd. Ook op het vlak van kleine k en kleine c: kunst en cultuur voor en door het volk. Amateurs en kunstenaars die vrijwillig engagementen opnamen omwille van de democratisering van de kunsten. Misschien is die onbaatzuchtige culturele ontvoogding nog wel de grootste erfenis uit de flower-power-periode. Denk maar aan de Gentse feesten jaren zestig-zeventig met wijlen beeldhouwer-zanger Walter De Buck, toen met Paula Monsart in commune- en hippie-stijl woonachtig in Merelbeke.

In Merelbeke was er een cultuurraad opgericht en werd in 1971 ‘Atelier 71’ boven de doopvont gehouden. Enkele hobbyïsten stelden in het huis van de familie Hebbelinck langs de Hundelgemsesteenweg een tentoonstelling op ter gelegenheid van de grote kermis. En van het een kwam het ander. Zoveel talent verdiende een gestructureerde aanpak. In 1971-1972 startte in de schoot van de cultuurraad een opleiding tekenen onder de deskundige leiding van Etienne Van de Velde, leraar-kunstenaar aan Sint-Lucas Instituut te Gent. Ze vonden onderdak in het stempellokaal van de RVA achter het toenmalig gemeentehuis. De heer Dries De Bock nam de leerling-schilders onder zijn hoede. Het ‘dopkot’ werd te klein en de groep trok naar klaslokalen in het GITO.  De woensdagavond werd dé avond waar alle deelnemers naar uitkeken. Onder de vele zelfstandigen die zo hun hobby konden beleven, bevond zich mijn moeder Hugette Rouan. Het is voor haar dat ik deze blog schrijf omdat zij een ode wil brengen aan zoveel vrijwillige engagementen van leraren-kunstenaars die Merelbeke rijk was. Etienne Van De Velde, woonachtig in de Kloosterstraat, is nog een van de weinigen die er kan van getuigen. Overleden zijn Dries De Bock leraar plastische opvoeding aan het GITO, Guido De Graeve schilder-glazenier en leraar aan de tuinbouwschool Melle, Godard Martens leraar aan Sint-Paulus, Nolle Versyp illustrator-graphicus en acteur, Jan Verwest schilder-beeldhouwer,… . Allemaal trotse kunstenaars die zich niet door overheden lieten dwarsbomen.

Mijn moeder heeft geen woensdagavond gemist. Er mocht van alles gebeuren in de bakkerij of in haar gezin maar gaan tekenen deed ze. Ze werd een fervente voorvechtster van de kleine k en kleine c. Er dienden zich steeds meer amateurs aan zodat ze moesten uitwijken naar de refter van de lagere school in de Kloosterstraat. Ook ‘de schilders’ o.l.v. Dries De Bock en de muziekacademie o.l.v. koster-organist Alfons Volckaert en Sylveer Reunes vonden er hun onderkomen.

Muziekacademie Merelbeke

Merelbeke: tekenclub Pro Arte op bezoek bij de muziekacademie met dirigent Silveer Reunes en Alfons Volckaert aan de piano. (H. Rouan)

En plots met de verkiezingen in aantocht in 1978 werden de subsidies voor de kleine k en kleine c geschrapt. De ‘tekenaars’ o.l.v. Etienne Van De Velde hebben dan maar hun eigen kleine k en kleine c opgericht: “Pro Arte” – kan het symbolischer! Een overheid kan talent niet tegenhouden! Ze waren niet te stoppen en dit privé-initiatief vond een nieuwe locatie in de kantine van voetbalclub Union aan de Gaversesteenweg. De ‘schilders’ vonden als Atelier 71 een onderkomen achteraan een kruidenierszaak, latere locatie van een ziekenkas, in de Poelstraat. De sportieve initiatieven in de voetbalclub, waar mijn vader Jozef Molein bij betrokken was, raakten overbevolkt en de tekenclub verloor alweer zijn locatie. Gevolg: een eeuwige zoektocht binnen en buiten Merelbeke naar ruimte voor hun hobby, hun talent. Met op gezette tijden een tentoonstelling hier of daar. Museabezoeken in binnen- en buitenland om inspiratie te halen en echte kunst te doorgronden. Met vaste en wisselende leden waaronder Marc Detelder, Jenny De Paepe-Van der Heyden, Maurice Vyncke, Robert De Leeuw, Hugo Brackenier, Van Damme, Octaaf Meiresonne, Gilbert Van Driessche, De Clercq, Willy Van Beveren, … .

Wat de leraren-kunstenaars hun volwassen leerlingen vooral leerden was het leren ‘kijken’. Alle kunst begint bij ‘kijken’ en ‘zien’.

Jong meisje

Tekenen naar levend model. (H. Rouan)

De overgebleven Pro-Arte leden zijn hoogbejaard maar dragen de kleine k en de kleine c nog steeds in hun grote hart ‘voor de kunst’. Ze kunnen er nog een boompje over opzetten! Afwachten wie in Merelbeke de fakkel van de kleine k en kleine c overneemt… Alleen met een toekomstig gebouw voor cultuur (?)  blaas je kleine k en kleine c geen nieuw leven in.

 

Advertenties


1 reactie

Ik ben mens in de 21ste eeuw. Mag ik ook fier zijn?

De immateriële waarden, die we vanzelfsprekend vonden en waar we veel minder bij stilstonden, hebben nog nooit zo voor controverse gezorgd als tegenwoordig. Het niet meer kennen, erkennen en herkennen van de kortbij geschiedenis van de gewone man uit de 20ste eeuw  in vele debatten die vandaag worden gevoerd, is medeoorzaak dat zoveel mensen misnoegdheid ventileren via sociale media. Deze uitlatingen zijn bijlange niet zo beladen bedoeld maar zijn een symptoom van een huidige tijdsgeest van politiek correct denken die de verwezenlijkingen van vorige generaties niet meer uitdrukkelijk valoriseert.

We hadden het allemaal zo wel wat voor mekaar. Iedere generatie keek enerzijds met waardering naar de voornamelijk zware en lastige arbeid van vorige generaties en anderzijds met wat scepsis naar de verwezenlijkingen en uitspattingen ervan. Jongere generaties trachtten met de nodige creativiteit, omwille van de economische terugval, bestaande structuren kritisch te bekijken en een en ander naar  hun digitale hand te zetten. We dachten dat de wetten en de gedragscodes nog wel verfijning konden gebruiken maar al bij al was er in dit land van melk en boter heel veel goed geregeld geraakt. Uit de 2 wereldoorlogen had men toch wel lessen getrokken. Mijn 84-jarige moeder, maatschappijkritisch, intelligent, belezen en bevlogen kan het niet meer bevatten. Zij hadden als naoorlogse generatie het land terug vorm gegeven, voor kinderen en ouderen gezorgd, hadden de carrières van hun echtgenoten gesteund, hadden een eigen huis verworven en daarbij ook nog gespaard voor hun oude dag. Ze hadden hun eigen moestuin om de noodzakelijke voeding zoveel mogelijk zelf te telen, hadden hun burgerplichten zoals legerdienst uitgevoerd, hadden zijdelings nog engagementen in sport- en non-profit organisaties uitgebouwd en mantelzorg en vrijwilligerswerk ter harte genomen. Gastarbeiders waren deelgenoot gemaakt in de economische heropbloei. Ze werden massaal toegelaten, mochten aan gezinshereniging doen. Onderwijs werd gedemocratiseerd voor jongens en voor meisjes. De vrouwenemancipatie zorgde ervoor dat gelijke rechten voor vrouwen werden afgedwongen. Kinderrechten werden evenzeer ernstig genomen.  Het toerisme bracht andere culturen in beeld en sloop onze voedingsgewoonten binnen en ga zo maar door…. Ook de Kerk moest een en ander met lede ogen zien gebeuren maar er was geen weg terug… Mijn moeder zegt het op haar manier: ‘De vrouwen – dankzij wetenschappelijke uitvindingen als dé pil – hebben in de jaren zeventig de poten van de heilige stoel weten af te zagen’. Op korte tijd leek een hele maatschappij zich opnieuw te hebben uitgevonden in het ‘vrije Westen’.

Met rasse schreden koos men met vallen en opstaan voor een meer democratische weg, de weg van de zogenaamde Verlichting: vrijheid, broederlijkheid en gelijkheid.

En plots of althans zo lijkt het wel, veranderde de wereld terwijl we er bijstonden en ernaar keken. Ook ‘onze’ wereld werd opgeslorpt in een negatieve spiraal van angst voor de andere, voor godsdienstvrijheid, voor…. Langs alle kanten, zij het links, zij het rechts of middenveld, worden commentaren en opinies uitgestrooid over de gebeurtenissen die de wereld in de ban houden. Het lijkt of alle houvast die men had opgebouwd wordt met de grond gelijk gemaakt. Nooit eerder worden begrippen als respect, democratie, solidariteit, tolerantie, mensenrechten, verdraagzaamheid, discriminatie, racisme, vergevingsgezindheid, naastenliefde, onbaatzuchtigheid… zo uitgehold of verkeerd uitgelegd. Interpretaties worden te pas en te onpas naar elkaars hoofd geslingerd. Hele generaties hadden de definities en reikwijdtes van deze begrippen via toegepaste initiatieven uit velerlei hoeken zoals onder andere katholieke godsdienst, zedenleer of humanisme aangeleerd gekregen en ten uitvoer gebracht. Hele generaties hadden zich hiervoor onbaatzuchtig geëngageerd in meerdere organisaties die daar de zichtbare uitlopers van waren.

Nu worden al deze begrippen op hun inhoud gepakt en onder druk geplaatst. Zelfs justitie, meester in het definitie-denken en het werken met gedetailleerde wettelijke vastgestelde begripsomschrijvingen, kan niet meer volgen en laat zaken gebeuren waar de publieke opinie niet meer bij kan. Straffeloosheid lijkt eerder regel dan uitzondering. Politie weet niet meer hoe het zichzelf, laat staan de burger kan beschermen. Het leger lijkt als uiterst verdedigingssysteem enkel ingezet te kunnen worden om in uniform uitgedost te paraderen en te surveilleren. Alle ontzag en gezag lijkt uit deze systemen te zijn gesmolten als sneeuw voor de zon. Rechtsregels lijken op drijfzand te zijn gebouwd. Bieden cultuur-christelijke invloeden in onze wetten dan geen houvast meer? Islam lijkt nooit eerder zo dreigend te zijn geweest als tegenwoordig omdat het lijkt dat het eeuwenoude principes wil afdwingen en op basis van oude geschriften de klok wil terugdraaien. De Koran als teletijdmachine naar middeleeuwse praktijken en achterhaalde visies om moslims te indoctrineren en niet-moslims te schofferen. Opiniemakers spuwen zonder gêne vingerwijzingen rond zodat ieder weldenkend mens zich met alle schuld voor zoveel onheil moet beladen. Zelfs onderwijs, dat in alle grootsteden al decennialang  aan leerlingen, van welke origine of  gezinssamenstelling dan ook, alle ontwikkelkansen probeert te geven en waarbij leraren tot het uiterste worden gedreven, wordt met een pennentrek vernederd en onderuit gehaald.

Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Hoelang moeten we nog figuurlijk in de media om de oren worden geslagen met verwijten uit alle windstreken? Wanneer maken we met zijn allen een vuist om te zeggen: deze hetze moet stoppen! Wanneer pakken we onze fierheid terug op over alles wat we samen verwezenlijkt hebben en nog zullen realiseren? Wanneer zijn we weer trots op onze merites? De politici, de ambtenaren, de zorgarbeiders, de politie, de justitie, de leraren, de man en de vrouw die dagelijks gewoon in eer en geweten zijn/haar werk doen in ons aller maatschappelijk belang…. .

Het gaat niet om de discussie ‘Ik ben Vlaming. Mag ik ook fier zijn?’. Het gaat om mens-zijn na 21 eeuwen moeizame beschaving. En daar ben ik fier op.

 


Een reactie plaatsen

Over pizza’s en werkpostfiches

Preventiekronkels

bron foto: daroberto.nl bron foto: daroberto.nl

De werkpostfiche. Wat een gedrocht. Sinds kort ben ik meer dan vertrouwd met de interimsector. En in het “regelende KB” is de werkpostfiche nog altijd hot. Je moet je dat eens voorstellen, zo’n fiche. Een belediging voor de geschoolde preventieadviseur niveau I of II, een enigma voor de kleine zaakvoerder. Enkel ambtenaren kunnen zoiets bedenken.

Stel je hebt een pizzeria en je wilt een student voor het weekend. Je maakt je rekening, vraagt een offerte bij een lokaal interimkantoor en denkt dat het zo makkelijk geregeld is. Tot… de werkpostfiche.

“Wat zijn de risico’s?”, is nog een quasi volzin die je min of meer kan begrijpen. Maar wat versta je onder de holle woorden “Heffen en tillen”, “temperatuur” of “chemische agentia”… tja. Is een pizza rondzwaaien “heffen en tillen”? En die oven is natuurlijk warm. ’s Winters moet die student ook de vuilniszakken buiten zetten achteraf. En…

View original post 308 woorden meer


3 reacties

Nieuwjaarke zoete

Nieuwjaarsbrieven, nieuwjaarspeeches, nieuwjaarswensen, nieuwjaarke zoete….

Inspiratie zoeken en vinden. Dit jaar vond ik het in het boek Het prachtige risico van onderwijs van Gert Biesta. Een niet gemakkelijk leesbaar boek maar één met duidelijke inzichten over wat onderwijs is of toch zou moeten zijn.

Ik vond ook een zeer duidelijke uiteenzetting over de inzichten van Gert Biesta in de blog ‘Meer aandacht voor socialisering en persoonsvorming – hoe ziet dat er uit?’ |  geschreven door Hester IJsseling ( www.hesterij.blogspot.nl ) gepost op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs van 18 december 2015 door Dick van der Wateren. Hester bood me de woorden waar ik naar zocht om jullie voor jullie werk in onderwijs te bedanken bij de aanvang van dit nieuwe jaar 2016.

Ik ben zo vrij enkele passages hieruit te citeren omdat ik ze zelf niet beter kan gezegd krijgen.

Laten we wat dieper ingaan op het lesgeven. Kwalificatie heeft te maken met het wat: wat willen we kinderen leren. We willen ze lesgeven in lezen en schrijven, spellen en rekenen. Er zijn verschillende manieren waarop je dat kunt doen. In de manier waarop we lesgeven zit altijd impliciet een mensbeeld verborgen en een idee over wat goed is voor kinderen.

Om mee te kunnen doen in de wereld moet je kunnen lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis, en die leren kinderen op de basisschool. Omdat ze die dingen in groepsverband leren, leren kinderen op school ook met elkaar omgaan in groepen. Daar merken ze dat ze verschillen van andere kinderen. Zo beginnen kinderen op school te ontdekken wie ze zijn, hoe ze verschillen van anderen en hoe ze zich verhouden tot anderen.Je zou die verschillende met elkaar verweven facetten van het onderwijs kunnen onderscheiden als drie domeinen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Deze drieslag van Gert Biesta biedt ons een vocabulaire waarmee we verdieping kunnen brengen in het gesprek over onderwijs. Maar als we concreet proberen te maken wat die termen betekenen, blijkt dat nog niet zo eenvoudig.

Velen zeggen dat er meer gedaan moet worden aan socialisatie en persoonsvorming. Het probleem is niet zozeer dat er meer aan gedaan moet worden, maar dat we ons bewuster zouden moeten verhouden tot wat daar – altijd al – gebeurt. We hebben er te weinig oog voor, en te weinig taal om erover te spreken en te denken.Het onderwijs heeft op die drie domeinen namelijk altijd invloed. Ook als je jezelf als leraar geen expliciete doelen stelt buiten het domein van de kwalificatie, heeft je onderwijs effect op het vlak van socialisering en persoonsvorming. Als we zorg willen dragen voor een goede balans tussen de drie domeinen, dan is het van belang te leren zien wat er gebeurt in de relatie tussen kinderen en leraren op school. Hoe verhouden ze zich op school tot zichzelf en tot de ander? Welke rol speelt ons pedagogisch handelen daarin? En wat streven we daarin na?

Lezen, schrijven en rekenen – in de eerste plaats zijn dat kwalificaties. Dingen die je moet kunnen. Het zijn ook de vakken die op school regelmatig getoetst worden, met gestandaardiseerde toetsinstrumenten. De meetbare aspecten van taal en rekenen worden zichtbaar gemaakt met harde cijfers. Met de juiste scores kun je je kwalificeren voor deelname aan de maatschappij. Om met elkaar te spreken over kwalificatie is kortom een uitgebreid vocabulaire en instrumentarium voorhanden. Voor socialisering en persoonsvorming is dat niet het geval.

In de manier waarop we over onderwijs spreken, hoe we lesgeven, hoe we toetsen en hoe we onderzoek doen, vellen we bedoeld of onbedoeld een oordeel over datgene waar we waarde aan hechten. Met wat we daarmee voorleven, geven we richting aan de manier waarop en de ruimte waarin kinderen op school zich ontwikkelen. Op dit moment voeren cijfers de boventoon in het spreken over onderwijs. De vraag is, of dat wenselijk is.

Het is belangrijk dat leraren die verborgen opvattingen expliciet maken. Daartoe hebben we taal nodig die waarneembaar en denkbaar en bespreekbaar maakt wat we doen en wat er gebeurt, taal om te benoemen wat we nastreven, en taal waarmee we kunnen onderzoeken of wat we doen in overeenstemming is met wat we nastreven. Voor een goede balans tussen de drie domeinen moeten we daarom niet alleen naar het wat kijken, maar ook naar het hoe en het waartoe, en daar woorden voor vinden.

Wat je doet – rekenen, spellen, lezen, lopen op de trap, buitenspelen, omgaan met materiaal – is nooit een kwestie van alléén kwalificatie, of alléén socialisatie of alléén persoonsvorming, maar heeft steeds die verschillende met elkaar verweven aspecten. Elke beslissing die je in de klas neemt – elke keuze die je maakt in de manier waarop je kinderen aanspreekt, lessen vormgeeft, stof behandelt – houdt een oordeel in. Een oordeel over wat in het hier en nu nodig is. En elk oordeel verraadt iets over de waarden en opvattingen die aan al die kleine beslissingen die je neemt ten grondslag liggen. Het verraadt wat jij goed en belangrijk vindt als leraar. Ook als je je daarvan helemaal nog niet bewust bent.Om een goede leraar te zijn, die in haar onderwijs het evenwicht bewaart tussen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming, is het belangrijk om dat te onderzoeken en onder woorden te brengen, en erover in gesprek te gaan met je collega’s, met de kinderen, met ouders. Te onderzoeken wat het dan is, wat jij belangrijk vindt en wat je met elkaar als schoolteam belangrijk vindt. Of je daar, zodra je je ervan bewust bent, ook volmondig voor kiest en voor staat. En welke consequenties dat heeft voor de vormgeving van je onderwijs, voor de manier waarop je les geeft en hoe je met de kinderen (en collega’s en ouders) omgaat.

Wat voor mensen zou je willen dat de kinderen die je onder je hoede hebt uiteindelijk worden? Welke kwaliteiten en attitudes zouden ze hebben als wat je voor ogen hebt, lukt? Vind je het belangrijk dat kinderen gehoorzamen aan het gezag van ouderen? Vind je het belangrijk dat kinderen discipline ontwikkelen, en leren hun eigen wil in toom te houden? Of staat voor jou mondigheid voorop, en zelfverantwoordelijkheid, zelfvertrouwen, initiatief, nieuwsgierigheid? Hecht je in de eerste plaats waarde aan betrokkenheid bij anderen, aandacht voor de dingen, zorg voor de omgeving, vertrouwen? Of staan identiteit, zelfontplooiing en talentontwikkeling voor jou bovenaan? Wat versta jij onder volwassenheid? En dan: Hoe verhouden zich jouw waarden tot de waarden van je collega’s? Kun je het als team samen eens worden? En met de ouders? De kinderen?

Een belangrijk aspect van persoonsvorming is, steeds opnieuw de vraag te stellen of de veronderstelde common sense wel zo common is. Wie sluiten we daarmee buiten? Daarbij is het de vraag of wat gebruikelijk is, ook wenselijk is. Persoonsvorming heeft te maken met de vrijheid en de verantwoordelijkheid om te kiezen: volg je het protocol, de kudde, het gebaande pad, of wijk je ervan af? Verantwoordelijkheid nemen betekent: nooit gedachteloos zomaar wat doen omdat je het altijd al zo deed of omdat het ‘moet’. En altijd met enige argwaan kijken naar de ‘wij’ in ‘zo doen wij dat hier’. Want wie zijn die wij, en wie hoort daar niet bij?In het onderwijs is de vraag die zich opdringt: Hoe verhouden we ons tot het gegeven dat niet iedereen hetzelfde denkt over wat gepast is – in de wereld niet, in ons land niet, maar ook niet op onze school, zelfs niet in onze klas? Het lijkt onhoudbaar te zeggen: Onze manier is de juiste manier. Beter zouden we zeggen: Laten we met elkaar de ruimte behoeden waarin we verschillend kunnen denken over wat belangrijk is, en laat ons de bereidheid tonen daarover met elkaar steeds weer het gesprek te voeren.

In mijn eigen blog Ik hoor hun stem niet… neem ik een en ander onder de loep naar aanleiding van het terreurjaar 2015. Ik eindig daar mijn blog met het volgende

De scholen die nu het OKAN-verhaal met kinderen van vluchtelingen moeten waarmaken, verdienen al onze steun.

Leerkrachten in deze scholen zijn het academisch getheoriseer meer dan moe. Zij willen een maatschappelijke erkenning. Zij zijn ervaringsdeskundigen pur sang. Geef hen een stem in dit debat, aub. Je zal maar leraar zijn in Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek… Een hele maatschappij kijkt nu op hen neer, alsof zij hebben gefaald. “Barslecht onderwijs, falend onderwijs,…” lieten opiniemakers zoals Jan Goossens en Montassser Alde’emeh  zich ontvallen in de media. Niets is minder waar, zij hebben al zoveel baanbrekend werk gedaan! Hou hen gedreven! Onze samenleving heeft ze nodig, nu meer dan ooit! Maar ik hoor hun stem niet….

Ook jullie maken deel uit van multiculturele scholen. Jullie lessen zijn spannende bijeenkomsten waarin jullie leerlingen zich ontwikkelen tot autonome individuen – of volwassen subjecten, in de terminologie van Biesta – die zich bewust worden van hun verhouding met de wereld. Onderwijs is daarmee een moeilijk proces, risicovol en zonder garanties. Maar een prachtig risico, georiënteerd op het mogelijk maken van een menselijk bestaan in en met de wereld. Deze multiculturele wereld die steeds complexer wordt. Dank voor al deze prachtige risico’s die jullie nemen!

Gert Biesta (1)

Gert Biesta (2)

En vergeet het niet, jullie doen ertoe!


6 reacties

Ik hoor hun stem niet…

Ik had er eigenlijk geen zin in mij te mengen in het hele terreurdebat. Maar kunnen we ernaast kijken of wegkijken? Moeilijk. Zeker als de dagelijkse mediastroom onophoudelijk gerelateerde items in de huiskamer door onze strot duwt. En toch kan ik het niet laten mijn eigen kleine mening te ventileren. Want dat is het wat we krijgen voorgeschoteld: een overload aan meningen. Dus kan de mijne er ook nog wel bij. Van jihad-experts, terreurexperts, veiligheidsexperts, islamexperts, radicaliseringsexperts, deradicaliseringsexperts, Midden-Oosten-experts,… Hoe word je dat  dergelijke ‘expert’? En plots zijn ze met zoveel. Waarom hebben al deze experts dit allemaal niet op voorhand kunnen aankondigen of voorkomen? Maar waarom ik in mijn blogpen kruip is omdat ik hier en daar lees en hoor, met pijn in het hart, dat we allemaal hebben gefaald, ook onderwijs. Laat dIt nu de branche zijn waar ik iets over weet en ervaring in heb.

De eerste kinderen van de migrantenstromen van de jaren zeventig kwamen schoollopen in onze TSO/BSO-school in Gent, toen nog enkel meisjesschool, want gemengd onderwijs was nog niet verplicht. Ze volgden meestal de studierichting kleding. Ik zag ze graag komen en dacht wel ‘we zullen en kunnen ze wel emanciperen’. Dat lukte inderdaad bij mondjesmaat en we zagen vele meisjes openbloeien. Ik vond het zelf niet snel genoeg gaan, maar onze leerlingen gaven zelf aan dat zij al een wereld van verschil vaststelden t.o.v. hun oma’s in het thuisland. Problemen met hoofddoeken en aanverwanten waren nooit aan de orde. Het waren bijna vlekkeloze tijden en we hadden als lerarengroep het gevoel dat we goed werk deden. Toen besliste de overheid in de jaren tachtig dat het onderwijs gemengd moest zijn, in alle scholen. Onze eigen maatschappij was er klaar voor maar waren de moslimmigranten dat ook? Niemand vroeg het zich af. Ook mijn eigen Gentse school maakte de sprong. Vooral via de studierichting kantoor kwamen de jongens druppelsgewijs onze schoolpoort binnen. Onze leraren hadden een enorme kloof te overbruggen. Plots jongens in de klas in een meisjesschool en plots ook moslimjongens in een katholieke school geleid door een sterk geëmancipeerde zuster. Vlug ergens in een hoek van het gebouw een paar jongenstoiletten geïnstalleerd en we konden van start. Nascholingen voor leraren omtrent al deze nieuwe invalshoeken waren er nauwelijks, ook niet vanuit onze koepel. Leraren deden het met vallen en opstaan per 1 september. En of we vielen, ook directies. Negen directies op 15 jaar tijd. De jaren negentig werden woelige jaren. Maar als school voelden we hetzelfde stigma als de leerlingen die bij ons school liepen. ASO-scholen deden alsof ze met deze problematiek niets te maken hadden. En dat was ook zo. Het waren witte raven die TSO aankonden of mochten, en nog blekere raven die naar een college durfden/konden/mochten gaan. Het werd het jarenlange discours van witte en multiculturele scholen. De politiek suste haar geweten met een genereuze daad: meer middelen, meer lestijden (gok-uren),  jongeren-voor-jongeren-projecten, zorg-, brug-, gok-figuren… enfin.. een heel arsenaal mensen en middelen zonder evenwel goed te luisteren naar de echte noden van de personeelsleden in deze scholen. Daar moesten we het dan maar mee doen en verder onze bek in onze pluimen houden, om het wat oneerbiedig uit te drukken. Want deze zogezegde minderheidsgroep was ondertussen electoraal interessant geworden. Ik heb er heel veel leraren het beste van zichzelf weten geven, tot burn-out en depressie toe… Maar nergens kregen die leraren, ook niet  in hun eigen maatschappelijke kringen, een pluim voor de grote maatschappelijke relevantie van hun integratiebetrokkenheid op moslimleerlingen. Onze TSO-studierichtingen gingen eraan ten onder. We hebben ze gered door ze kortweg gezegd te verplaatsen van school. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. We probeerden een goede BSO-school uit te bouwen en te zijn. En dat is ze nog.

Als er één plaats is waar het samenleven geoefend wordt met meer dan 30 ‘roots’ en ‘culturen’ dan is het in dergelijke scholen. Nog steeds krijgen deze jongeren  geen diploma secundair onderwijs na een 6de jaar BSO.  Kan iemand mij een zinnig antwoord geven waarom een leerling in 6de Latijn, 6de jeugd- en gehandicaptenzorg,… dit wel kan verwerven en een leerling in 6de houtbewerking, 6de verzorging,… niet? Dat diploma SO is dé sleutel tot onze maatschappij. Uitgerekend deze veelal schoolmoeë jongeren krijgen te horen dat ze nog een zevende specialisatiejaar moeten volgen om dit toegangsbewijs tot onze samenleving te ‘verdienen’. Niet verwonderlijk dat een ongekwalificeerde uitstroom volgt en dat ze daarna de VDAB de rug toekeren zoals onlangs in de krant te lezen viel. De honderdplussers van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken en we laten de meest kwetsbaren aan de start komen met een negatief ‘kapitaal’.

In april 2005 pakte de overheid onder Frank Van den Broecke, die als minister zowel departement onderwijs als departement werk trachtte te verzoenen, uit met een driedaags colloquium ‘Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving’.  Vormgegeven door stichting Gerrit Kreveld en plaats van academische actie was Het Pand Universiteit Gent.  Hoofdrolspelers waren Bea Cantillon, Marc Elchardus, Kris Van Den Branden, Ides Nicaise, Koen Stassen en vele anderen.  Het bood de uitgelezen kans om ons, de ‘concentratiescholen’ zoals witte scholen over ons dachten, te beluisteren. Ik had er een hele bundel rond opgesteld met de passende titel “Een roep in het duister, een schreeuw in de woestijn”. Eindelijk, dacht ik, eindelijk. Maar ja, zoals dikwijls, een druppel op een hete plaat.

Ik ben betrokken bij de raad van bestuur van enkele super basisscholen in hartje Gent. Het is altijd ongelooflijk te zien en te merken hoe onze leraren hier het verschil maken! Iedereen, van poetsvrouw, over leraren, ondersteunend personeel en directies, kijken met open vizier naar de multiculturele maatschappij waar zij al zolang mee vertrouwd zijn. En wat krijgen ze voor die dertig jaar inzet in dit integratiedebat? Nog meer verwijten dat ons onderwijs heeft gefaald.  Maar de kinderen die er les volgen komen nu meer dan vroeger in een spagaat terecht. Tijdens de week volgen ze les in onze scholen. In het weekend volgen ze islamschool. De moskeeën kampen met plaatsgebrek voor hun islamscholen. Niemand stelt zich hier vragen bij. Dit alles gefinancierd met gelden uit het Midden-Oosten. Het emancipatie- en democratiseringsverhaal van onze leraren lijkt zo een processie van Echternach. Een onderwijssysteem met wetten en toezicht kruist hier een vormingstraject waar niet de minste controle op is.  Het maakt leraren soms moedeloos en het lijkt of ze vechten tegen windmolens.  In de gezinnen van deze nieuwe Belgen leven ze met de visies van drie generaties samen: een generatie die nog hoopte op terugkeer naar land van oorsprong, een generatie ouders die voor ouderlingen en voor kinderen moet zorgen dikwijls in kansarmoedige omstandigheden, een generatie kinderen/jongeren die zich nergens meer thuisvoelt en alle grenzen aftoetst. Bij onze leraren in onze scholen stellen ze figuurlijke grenzen in vraag en komen deze zo steeds onder druk. Het hoofddoekendebat is er één van de 21ste eeuw en niet van ervoor. Het geen hand meer willen geven van vaders aan onze vrouwelijke leraren,  het dit en het dat….

Als dit geen wereldburgers zijn:

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: Mijn oma komt op bezoek. We moeten ze in Zaventem ophalen. Vanwaar komt je oma? Van Bulgarije, voor 14 dagen. En dan kan ik niet naar school komen.

Gent oktober 2015 – 2de leerjaar: We gaan in januari mijn broertje ophalen. Oh ja, waar is je broertje nu? In India, we vliegen over China. Ik zal een tijdje niet op school zijn.

Soms denk ik dat we door het verplicht gemengd maken van dergelijke scholen  in de jaren tachtig de allochtone gemeenschap niet voldoende generatie-tijd hebben gegeven om zich te leren emanciperen en democratiseren. Onze eigen vrouwenemancipatie heeft vele sterke vrouwen voortgebracht in toen nog hoofdzakelijk meisjesscholen. Islamitische jongens maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Maar ook conservatief opgevoede moslimmeisjes maken het progressieve meisjes niet gemakkelijk. Tradities en eigen cultuurinvloeden zitten hardnekkiger vast in deze jongeren dan we wel denken. De scholen die nu het OKAN-verhaal met kinderen van vluchtelingen moeten waarmaken, verdienen al onze steun.

Leerkrachten in deze scholen zijn het academisch getheoriseer meer dan moe. Zij willen een maatschappelijke erkenning. Zij zijn ervaringsdeskundigen pur sang. Geef hen een stem in dit debat, aub. Je zal maar leraar zijn in Molenbeek, Anderlecht, Schaarbeek… Een hele maatschappij kijkt nu op hen neer, alsof zij hebben gefaald. “Barslecht onderwijs, falend onderwijs,…” lieten opiniemakers zoals Jan Goossens en Montassser Alde’emeh  zich ontvallen in de media. Niets is minder waar, zij hebben al zoveel baanbrekend werk gedaan! Hou hen gedreven! Onze samenleving heeft ze nodig, nu meer dan ooit! Maar ik hoor hun stem niet….

 

Recent onderzoek dat leraren zou kunnen ‘empoweren’ – hopelijk worden hier nascholingen aan verbonden…

http://www.ugent.be/nl/actueel/persberichten/diversiteit-divers-jong-jongeren-vlaanderen.htm

Als afsluiter:

http://www.hln.be/hln/nl/944/Celebrities/article/detail/2532982/2015/11/22/Bart-Peeters-neemt-terreuraanslagen-op-de-korrel-met-pakkend-lied.dhtml


1 reactie

Wat een brief van leerkracht aan leerling zou kunnen zijn

Reinhilde DecleirSoms kan ik opgaan in een tekst die plots opduikt in het dagelijkse krantenvoer. De brief van Reinhilde Decleir – ‘grande dame’ van het theater – in Het Nieuwsblad magazine van 24 oktober 2015 is zo een boodschap met body. De redactie vroeg 4 vooraanstaande Vlamingen op leeftijd (?!) een brief aan hun fictieve jongere ik te schrijven. Een originele opdracht. De brieven van Christine Van Broeckhoven, Mark Eyskens en Miet Smet bevatten mooie perspectieven op het leven. Maar ik beperk me tot Reinhilde omdat haar brief zo’n gedragen levenswijsheid uitstraalt.

Ik ben zo vrij haar tekst om te vormen naar een fictieve brief voor leraren aan hun pupillen. Door persoonlijke feiten niet te citeren maar haar bevlogen bedenkingen heel te laten. Het zou een brief van een leerkracht aan zijn/haar leerling kunnen zijn: een welkomstbrief bij de aanvang van het schooljaar, of een nieuwjaarsbrief halverwege of een afscheidsbrief eind juni.

Dag leerling die ik kansen geef – vrij naar Reinhilde Decleir

Het leven zal je overkomen. Maar ik ken je, uiteindelijk zal je iets doen wat je graag doet. Hou je vast, want in je leven zullen veel dingen gebeuren waar je weinig vat op hebt en heel weinig kan aan veranderen. Meermaals zal je een deur moeten kiezen en je zal ze ook moeten openen. Wat er verder gebeurt, hangt af van wie er aan de andere kant staat en welke kansen die persoon je zal geven. Niemand heeft voor de volle honderd procent in de hand wat er met zijn of haar leven gebeurt. En toch zijn er zaken die je wel in de hand hebt. En daar, beste jongere, kan je iets mee: durf sneller je capaciteiten naar boven te laten komen. Ik snap het wel, dat de drukte van het leven vertraging zal veroorzaken. Heel wat demonen zullen op de loer liggen. Niets meer doen, het opgeven, het wat laten hangen, de miserie verdrinken, trek op tijd aan de alarmbel. Vecht hiertegen, anders ben je een vogel voor de kat. Het is een grote illussie te denken dat het leven eenvoudiger wordt. Met ouder worden zul je veel kritischer in het leven staan. Toch moet je blijven relativeren. ‘Wees blij en geniet van je vrijheid’, meermaals zul je dit horen tijdens je jonge leven. Geniet van die onschuld waar je vandaag in leeft. Want de druk op jongeren wordt met de jaren groter. Laat je ook niet wijsmaken dat je iets móét worden. Probeer vooral te weten te komen wie je zelf bent en waar je goed in bent. Vandaag ben je misschien onderdanig, maar met de jaren zul je veel mondiger worden. Door je werk zul je dit al doende leren. Wees eerlijk met jezelf en met de anderen. Dat is iets wat je met de jaren onder de knie zult krijgen.

“Als je even niet weet wat te doen met je leven, doe dan iets met de dingen die op je pad komen.” Virginia Woolf

Ik ben op je pad gekomen en ik heb het beste met je voor. Jouw leerkracht!


1 reactie

Komkommertijd

Het was een klein artikeltje in de marge van de wetenschapspagina verzorgd door Dirk Draulans in Knack van 5 augustus 2015 dat me in de pen deed kruipen. Ondertussen ben ik als vakantielectuur de “Deugden van de tafel – een filosofie van het eten” van Julian Baggini aan het lezen.

Het zat er aan te komen. Onze leraren voeding in BSO- en TSO-studierichtingen studiegebied Personenzorg hebben het al veel langer vastgesteld: tieners weten niet meer wat voeding is, laat staan wat voeding bereiden is. Vele jongeren hebben tegenwoordig nog geen aardappelmesje in hun handen gehouden. De connectie met waar het voedsel vandaan komt en wat ze eten is totaal verloren aan het gaan. Een landbouwer probeerde onlangs kinderen naar zijn modern landbouwbedrijf te lokken om hen duidelijk te maken dat het vlees in hun fastfood van dieren afkomstig is. Horeca-Vlaanderen bepleit dat bij een kindvriendelijke aanpak op restaurant de typische kindermenu’s (zoals spaghetti, kip met appelmoes,…) zouden worden vervangen door kleinere porties van de volwassenenmenu’s. Gevarieerd eten moet je leren.

We zijn er in één generatie tijd in geslaagd de kennis- en kundeoverdracht van ouder op kind i.v.m. voeding telen, kweken, bewaren en bereiden ongedaan te maken. Waar sinds mensenheugenis deze vaardigheden zoals bereiden en bewaren van voedsel volgens aloude principes van moeder/vader op dochter of zoon werd doorgegeven, zijn we nu totaal aan het vervreemden van onze voeding. We zijn massaal in het opwarmtijdperk terecht gekomen. De bereidingskeuken is verplaatst naar heuse fabrieken die 7 op 7 en 24 op 24 uren voor onze snelle hap zijn gaan zorgen. Het succes van Piet Huysentruyts kookeducatie bestond erin de modale man/vrouw achter het fornuis bij te staan bij het bereiden van eten. Maar hijzelf begon SOS te roepen en zag dat het dweilen met de kraan open is. Hij hield het voor bekeken, niettegenstaande een miljoenen kookboekenverkoop. Jeroen Meus en anderen proberen de dagelijkse keuken te promoten op het scherm maar worden daarbij begeleid door de voedingsindustrie, niet door gezondheidsoverwegingen. Wie nog het best de gezonde keuken weet te promoten is Pascale Naessens. Vanuit haar eigen bezorgdheid om gezondheid, voeding en natuur, weet ze met haar pure keuken aloude principes van eerlijke voeding onder de aandacht te brengen. Echter niet bij Jan Modaal. Het zijn hogeropgeleiden die haar boeken kopen, niet de jongeren.

Wat men thuis niet ziet, wordt voor een kind geen vanzelfsprekendheid. Wie hier de grootste baat bij heeft zijn de mastodonten van de voedingsindustrie. Nestlé, Unilever, … hun gamma kant-en-klaar-producten van duizend-en-één-smaken neemt van baby- tot seniorenfood  steeds meer rayons in de supermarkten in beslag. Belgische boeren zijn op wereldschaal bekeken keuterboeren en zijn sowieso de pineut. Ze verdienen aan voedsel telen en kweken het zout in hun pap niet meer. De consument wordt zoet gehouden met kant-en-klaar-voeding of half-fabricaten met teveel zout, teveel suiker, teveel verdoken vet, …. De wetenschap ten spijt hebben suiker-, frisdrank-, en andere lobby’s steevast hun slag thuis gehaald, en daar hebben ze flink wat geld voor over. Vele wetenschappers trokken al aan de alarmbel maar het dreigt echter een Don Quichot-gevecht te worden. De gezondheidszorg kreunt onder de kosten van de obesitas- en diabetespandemieën waar WHO en andere gezondheidsorganisaties moord en brand over schreeuwen.  Kosten die op de maatschappij worden afgewimpeld en die in deze eeuw verder zullen oplopen tot onbetaalbaar. Daarbij zal een vet- of suikertaks niet veel verschil maken. Niets is moeilijker dan comfortgedrag te veranderen eens consumenten verslaafd zijn gemaakt en geraakt. Maar al worden we dikker, we worden steeds ouder met gemiddeld 5 à 6 chronische aandoeningen op eerbare leeftijd. Door de geneeskunde vakkundig onder controle gehouden met gigantische winsten voor de farmaceutische industrieën. De honderdjarigen van de toekomst zitten nu op onze schoolbanken. Maar of ze zich zullen voeden met herkenbare, laat staan gezonde, voedingsmiddelen die bereidingstechnieken en -tijd nodig hebben, is nog maar zeer de vraag. In Finse scholen heeft men radicale keuzes gemaakt en worden gezonde maaltijden gratis aan de leerlingen aangeboden.

De politiek probeerde sensibilisering te promoten en verplichtte de producenten de voedingsinformatie op hun producten te verduidelijken. Een doekje voor het bloeden. Het aantal kcal per 100 g voeding en de opsplitsing in aantal g vetten, koolhydraten, eiwitten moest worden vermeld op het etiket. Producenten volgden deze regelgeving na wat tegenspartelen, maar wisten wel de duidelijkere variant met knipperlichtsymbolen en kleurencodes (rood-oranje-groen) in de kiem te smoren. Daarbij speelt het in hun voordeel dat ook de wetenschappelijke kennis van wat vroeger voedingsleer noemde, die vervat zit in biochemische inhouden, en opgenomen is in de leerplannen natuurwetenschappen, terzelfdertijd bij diezelfde tieners sterk is teruggedrongen. Geen jongere die een zinnig antwoord kan formuleren bij de vraag naar wat een eiwit, een vet of een koolhydraat is en wat die dan wel doen in ons lichaam. De relaties tussen organische scheikunde/koolstofchemie en fysiologie lijken niet meer van deze tijd. De voedingsinfo op de etiketten wordt  met moeite gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Ze veroorzaakt geen gedragswijziging bij de bevolking zoals de beleidsmakers hadden gehoopt. Maar hun geweten is gesust.

In onderwijs hebben we alles wat als ‘huishoudkundig’ bestempeld kon worden, als niet relevant voor onderwijs gebrandmerkt en hebben we dit na de feministische golf in de jaren zeventig stelselmatig overboord gegooid. Meisjesonderwijs had zich gaandeweg geëmancipeerd, wat op zich een goede zaak was.  Gemengd onderwijs in de jaren tachtig was vooral een spiegeling aan het jongensonderwijs en dito inhouden. Zelfzorg, in zijn vele betekenissen, dat moesten jongeren maar zelf ondervinden en zelf uitzoeken. Het lijkt wel of hoe langer jongeren school lopen, hoe minder ze onderwezen worden in de dingen des levens die er echt toe doen. Voeding is er zo een van. Iedere jongere zou een minimum notie over voeding en gezondheid in de vingers moeten krijgen. Een kritische jongere schreef er een boeiende blog over.

Als ik deze week aangenaam vaststel dat een particulier initiatief corefever i.v.m. leren programmeren voor kinderen als zaterdagschool wordt georganiseerd, dan is de tijd misschien rijp voor foodcamps en zaterdagse voedingscursussen (foodeducation-pop-ups) voor kinderen en jongeren. De zaterdagschool heeft dus nog veel potentieel. Misschien een idee voor Pascale?! Want in het reguliere onderwijs vrees ik dat het komkommertijd zal blijven wat voeding en gezondheid betreft.

P.S. Op woensdag 12 augustus nog een alarmerend berichtje in de pers over de schadelijkheid van industriële transvetten in onze voeding, nog veel schadelijker dan gedacht. Maar de wetenschappers zullen allicht weer geen vat hebben op de machtige voedingsconcerns. En de consument…, hij is zich van geen kwaad bewust.